Posts tonen met het label Architect. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Architect. Alle posts tonen

21 feb 2012

Hendrik Petrus Berlage

Het is vandaag 156 jaar geleden dat Hendrik Petrus Berlage, een van Nederlands meest bekende architecten geboren werd aan de Keizersgracht in Amsterdam. Een mooie aanleiding voor ons om een stuk aan hem te wijden. Berlage wordt gezien als een van de bekendste en invloedrijkste architecten van Nederland. Een van zijn belangrijkste en beroemdste gebouw is wel de Beurs van Berlage in Amsterdam maar hij ontwierp veel meer dan dat.

Berlage hield zich namelijk niet alleen bezig met het ontwerpen van gebouwen. Hij was ook verantwoordelijk voor interieurontwerpen waarbij hij ook veel meubilair heeft ontworpen. Daarnaast was hij ook een van de oprichters van ’t Binnenhuis, een verkooplokaal voor kunstnijverheid aan het Amsterdamse Rokin. Maar naast het ontwerpen van interieurs had Berlage ook een grote interesse in stadplanning wat zich uitte in Plan Zuid in Amsterdam. Berlage was een zeer veelzijdig architect en ontwerpen en het is dan ook niet mogelijk dat alles te bespreken in een artikel. In dit artikel zal aandacht worden besteed aan de loop van zijn carrière en enkele beroemde gebouwen.

In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.


Hendrik Petrus Berlage
Berlage werd geboren aan de Amsterdamse Keizersgracht op 21 februari 1856. Zijn kinderjaren bracht hij door in Amsterdam waarna het gezin verhuisde naar Arnhem waar hij naar het HBS ging. Hij was zeer geïnteresseerd in architectuur en volgde een opleiding aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Tijdens zijn opleiding in Zürich werd hij beïnvloed door de architecten Gottfried Semper en Eugène Viollet-le-Duc. Deze invloed is voornamelijk terug te zien in zijn vroegere en meer klassieke ontwerpen. Na het afronden van zijn opleiding maakte hij een ‘Grand Tour’ door Duitsland en Italië. De reisherinneringen van Berlage werden in 2009 uitgegeven onder de titel Italiaanse reisherinneringen die werden ingeleid door Herman Bergeijk.

Na zijn ‘Grand Tour’ vestigde Berlage zich in Amsterdam waar hij in 1881 een samenwerkingsverband aanging met Theodor Sanders, die was opgeleid tot ingenieur. Sanders was op dat moment bezig met de constructie van het Nederlands Panopticum in de Amstelstraat. De samenwerking tussen Sanders en Berlage zorgde er voor dat de carrière van Berlage goed op gang kwam. Sanders zat bijvoorbeeld ook in de NV Maatschappij voor Koffiehuizen, een organisatie die vanaf 1879 koffiehuizen bouwden voor arbeiders. Samen met Sanders ontwierp Berlage in 1883-1884 koffiehuis De Hoop aan de De Ruyterkade in Amsterdam. Het was hun eerste gezamenlijke project. Het gebouw is in 1920 gesloopt op ruimte te maken voor een uitbouw van het Centraal Station, maar doet denken aan een ander gebouw van Berlage in Amsterdam. Berlage ontwierp op de Kalverstraat 152, op de hoek met het Spui, een winkelgebouw met kantoren voor de firma Focke&Meltzer. Tegenwoordig bevind zich in het gebouw de boekhandel Waterstone’s. Beide gebouwen vertonen duidelijke Renaissance invloeden wat goed te zien is in het gebruik van pilasters met Corinthische kapitelen. Berlage ontwierp in die periode dus duidelijk in een historiserende stijl die aan het eind van de negentiende eeuw zeer populair was.

Door een depressie in het midden van de jaren 1880 begon er een slechte periode voor Berlage en Sanders waarin ze maar weinig opdrachten kregen. In 1889 sloten zij dan ook hun bureau en ging Berlage verder als een freelance architect.
Een van zijn klanten bleef hem trouw, namelijk De Erven Lucas Bols, die Berlage tussen 1887 en 1895 meerdere opdrachten gaf om de interieurs van drinklokalen in verschillende Europese steden te ontwerpen. Daarnaast gaf Berlage vanaf 1887 les op de Quellijnschool een school voor kunst en nijverheid die in 1879 was opgericht door P.J.H. Cuypers. In 1887 trouwde Berlage met Marie Bienfait waardoor hij in aanraking komt met de dichter Albert Verwey en dichter en psycholoog Frederik van Eeden. Daarnaast ging hij zich ook meer met politiek bezighouden en kwam hij via de Breero Club, een genootschap van intellectuelen, politici en kunstenaars met radicale ideeën, in contact met E.D. Pijzel, P.L. Tak en de radicaal M.W.F. Treub. Voor velen van hen ontwierp Berlage villa’s, waaronder een voor Frederik van Eeden in Bussum en voor Pijzel aan de Van Baerlestraat. Via deze personen kwam hij ook in contact met Henri Polak, voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), wat uiteindelijk zou leiden tot de opdracht voor het hoofdgebouw van de ANDB tussen 1898 en 1900 aan de Henri Polaklaan (voorheen Plantage Franschelaan) in Amsterdam.

Gebouw De Algemeene en Gebouw De Nederlanden van 1845
Als freelance architect deed Berlage vaak mee aan prijsvragen waardoor veel van zijn ontwerpen nooit gerealiseerd zijn. Twee bekende gebouwen die hij in die periode ontwierp zijn het gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Algemeene, tussen 1892 en 1894 en een uitbreiding in 1901-1905, en een gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845 tussen 1894 en 1895 en een verbouwing en uitbreiding in 1910 en 1911.

In deze gebouwen, de eerste op het Damrak, de ander op het Muntplein, is al meer te zien van de rationalistische stijl waarmee Berlage zo bekend geworden is. Hij laat bij deze gebouwen duidelijk de neostijlen van de late negentiende eeuw achter zich. Het rationalisme gaat uit van het principe dat alle architectonische problemen rationeel zijn op te lossen. Daarmee is zij heel anders dan bijvoorbeeld de Art Nouveau waarbij men een veel meer gevoelsmatige aanpak had.
Het gebouw voor De Algemeene kan dan ook als belangrijk worden beschouwt voor zijn verdere loopbaan als architect. Hij werd om dit gebouw geprezen door andere architecten. Het gebouw was wel modern maar had nog steeds herkenbare elementen. Maar nog vernieuwender was het gebouw voor De Nederlanden van 1845 op het Muntplein. Daar waar het gebouw voor De Algemeene nog enkele neogotische kenmerken had, zijn die bij het gebouw voor De Nederlanden niet meer te zien. Het is al een stuk strakker en soberder en vormt daarmee een mooie opmaat naar de bekende Beurs van Berlage.

De Beurs van Berlage
De Beurs wordt door de meeste mensen gezien als het hoogtepunt van de carrière van Berlage. Al vanaf 1873 werden er plannen gemaakt om het toenmalige beursgebouw, de Beurs van Zocher aan te passen. Adriaan Willem Weissman, gemeentearchitect, had de opdracht gekregen daar een ontwerp voor te maken. In 1895 trad echter Treub aan als directeur van de Dienst Publieke Werken en hij vond het ontwerp van Weissman niet goed. Treub gaf in 1896 de opdracht aan Berlage. Hij ontwierp, met steun van Treub, echter niet een uitbreiding voor de Beurs van Zocher maar een geheel nieuw beursgebouw. De plannen werden pas in maart 1898 door de gemeente gepubliceerd en op dat moment waren die in een zo ver gevorderd stadium dat tegenstanders geen bezwaar meer konden maken. In mei van datzelfde jaar werd er begonnen met de bouw. Op 27 mei 1903 werd het gebouw geopend.

Berlage wordt beschouwt al rationalist, wat inhoudt dat bijvoorbeeld architectonische problemen rationeel zijn op te lossen, en niet gevoelsmatig zoals bijvoorbeeld bij de Art Nouveau. Bij de Beurs heeft Berlage er bijvoorbeeld voor gezorgd dat vormen en ornamenten nauw aansloten bij de constructie van het gebouw. Maar er zijn in dit gebouw ook neoromaanse kenmerken te vinden en het gebouw met zijn toren doet ook sterk denken aan Romaanse kerken uit Noord-Italië. Daarnaast wordt het gebouw tegenwoordig ook gezien als de voorloper van de Amsterdamse School stijl en het Nieuwe Bouwen. Opvallend is dat aan de buitenkant van het gebouw nauwelijks te zien is dat het om een beursgebouw gaat. Het staat slechts in kleine letters aangegeven op de gevel aan de kant van het Beursplein. Het gebouw vormt een duidelijke eenheid maar heeft wel aan alle zijde een andere façade. De façade aan het Beursplein is zeer monumentaal en heeft veel weg van een kerk met de bogen boven de ingangen en de toren. De toren staat mooi in het verlengde van het Damrak dat het Centraal Station verbindt met de Dam. De façade verwijst ook naar het oude stadhuis van Amsterdam dat in de zeventiende eeuw werd vervangen door dat van Van Campen wat tegenwoordig het Paleis op de Dam is. De damrak zijde heeft echter een heel ander uiterlijk. Het silhouet verwijst naar het Centraal Station van P.J.H. Cuypers. De façade is echter geheel plat, slechts onderbroken door de ramen. Het voormaat van de erkers is ontleend aan dat van de gebouwen aan de overkant van de straat. Ook de noordkant van het gebouw dat gericht is naar het Centraal Station en aan het water lag heeft juist weer een heel open façade. Het gebouw is aan versierd met verschillende beeldhouwwerken en sluistenen die zijn gemaakt door Lambertus Zijl.

Het gebouw bood aan meer functies onderdak dan alleen een effectenbeurs. Er waren drie grote zalen die langs de lengteas gerangschikt zijn. Er was ruimte voor een effectenbeurs, een goederenbeurs en een graanbeurs. Er was ook een informatiekantoor, een ruimte voor de PTT, een kleine schippersbeurs en een koffiehuis. Het was echter niet alleen functioneel ingericht maar ook prachtig gedecoreerd. Het gebouw is wat we noemen een ‘Gesamtkunstwerk’ waarbij in- en exterieur één geheel vormen en waarbij meerdere kunstenaars samenwerken. Berlage ontwierp wel het gebouw maar liet het iconografische programma over aan Albert Verwey en is gebaseerd op twee thema’s: Amsterdam als belangrijke handelsstad en de klasseloze samenleving waarin geld geen rol speelt. Verwey maakte zelf verzen die werden uitgehakt in steen en op verschillende plaatsen in het gebouw zijn terug te vinden. Andere kunstenaars die aan het gebouw meewerkten waren Jan Toorop die tegeltableaus met daarop het verleden, heden en de toekomst ontwierp. Richard Roland Holst maakte een muurschildering met daarop ‘Industrie & Handel’ en Joseph Mendes da Costa was verantwoordelijk voor de decoratie van de vergaderzalen.
Een van de mooiste zalen van het gebouw is de zaal van de Kamer van Koophandel, nu de Berlage zaal. Antoon Derkinderen ontwierp voor deze zaal, maar ook voor elders in het gebouw, gebrandschilderde ramen en maakte wandschilderingen. Deze wandschilderingen zijn tegenwoordig niet meer te zien omdat de zaal al in 1909 aangepast moest worden wegens de slechte akoestiek. De muren werden bekleed met lambrisering waardoor er niets meer van de wandschilderingen te zien is. Berlage was naast het ontwerp ook verantwoordelijk voor de inrichting van het gebouw. Hij ontwierp onder meer de lampen, hang- en sluitwerk, meubilair en hekken voor het gebouw en maakte daarmee het ontwerp compleet.



Literatuur:
- Berlage, Hendrik Petrus, Thoughts on style, 1886-1906 (Santa Monica 1996).
- Bock, Manfred, De inrichting van de Beurs van Berlage: geschiedenis en behoud (Zwolle 1996).
- Brentjens, Yvonne, H.P. Berlage (Zwolle 2010).
- Kloos, Maarten e.a. eds., Berlage in Amsterdam (Amsterdam 1992).
- Kramer, Walter, De Beurs van Berlage: historie en herstel (Zwolle 2003).
- Polano, Sergio e.a. eds., Hendrik Petrus Berlage. Het complete werk (Alphen aan den Rijn 1988).

Foto's:
- Berlage: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
- Gebouw Focke&Meltzer: Waterstone's
- Gebouw de Algemeene en gebouw De Nederlanden van 1845: NAI
- Beurs van Berlage: BMA










Lees meer...

14 feb 2012

Architect belicht: KPC (Karel) de Bazel

Vandaag is de 143e geboortedag van Karel de Bazel (1869 – 1923) een architect die vooral bekend is vanwege het gebouw van de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM) aan de Vijzelstraat, waar nu het stadsarchief in gehuisvest is. Toch zullen er weinig mensen andere gebouwen van deze veelzijdige architect kunnen opnoemen. Ondanks de huidige relatieve onbekendheid met zijn werk, was De Bazel was een zeer gerespecteerde en invloedrijke architect. Een uitstekende gelegenheid om meer over zijn leven en werk te vertellen.

De Bazel was als architect vooral actief in het ontwepen van villa’s in het Gooi en Noord-Holland voor rijkere klanten. Daarnaast was hij een vast redactielid van het tijdschrift Architectura en ontwerper van meubilair en grafisch werk. In eerste instantie had De Bazel een bureau samen met J.L.M. Lauweriks en een tijd later startte hij het beroemde ontwerpbureau De Ploeg. Zijn invloed in deze gebieden was zo groot dat hij vaak gevraagd werd voor welstandcommissies en jury’s van prijsvragen. Ook zette hij zich als één van de oprichters van de Erfgoedvereniging Heemschut actief in voor het behoud van het erfgoed van Amsterdam. Uiteindelijk wordt de Bazel samen met Berlage gezien als één van de belangrijkste architecten van het rationalisme, hoewel zijn architectuur zich hiervan onderscheidde door zijn inspiratie uit de theosofie, vrijmetselarij en de oosterse kunsten. Het bankgebouw aan de Vijzelstraat wordt gezien als zijn magnum opus, hoewel hij het einde van de bouw niet heeft mogen meemaken.

In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.

Karel de Bazel
De voornaamste reden dat de Bazel weinig bekendheid geniet, is te danken aan het feit dat zijn werk, hoewel uitgebreid, sterk verspreid door Nederland is en voornamelijk kleinere werken omvat. De Bazel heeft, wellicht tot zijn eigen frustratie, naast de NHM nooit de kanst gekregen om veel meer te ontwerpen dan luxe villa’s en landhuizen voor de rijkeren. Toch is de Bazel vooral een pionier in de moderne zoektocht naar nieuwe inspiratie voor architectuur en de “ware” esthetiek.

Karel de Bazel is zijn carriere begonnen als leerling van Pierre Cuypers. Deze streng katholieke architect zocht zijn inpiratie in de beginselen van de christelijke architectuur, zoals de gotiek en romaanse architectuur. Hoewel in het werk van de Bazel ook een zekere zoektocht te vinden is naar de oorsprong van de bouwkunst, ontwikkelde de Bazel zich in een compleet andere richting. Op het bureau van Cuypers leerde hij ook JLM (Mathieu) Lauweriks kennen en samen ontwikkelden zij een interesse in esotherie, socialisme, vrijmetselarij en anarchisme. De katholieke Cuypers was in eerste instantie niet op de hoogte van de rebelse ideeën van zijn studenten, maar toen zij theosofisch getinte illustraties maakten en artikelen schreven voor de tijdschriften Licht en Waarheid en Architectura kon dit natuurlijk niet uitblijven en heeft dit geleid tot een breuk met de woedende Cuypers.

In 1895 begonnen de twee hun eigen Atelier voor Architectuur, Kunstnijverheid en Decoratieve kunst in Amsterdam. De Bazel richtte zich al snel meer op de architectuur en Lauweriks hield zich meer bezig met het grafische werk en de uitwerking van de theoretische achtergrond. Een grote invloed in deze periode van de twee ontwerpers waren de oude Egyptische en Assyrische kunst (het huidige Iran). Werken werden opgebouwd aan de hand van complexe geometrische patronen en proportiesystemen, vooral bestaande uit cirkels, vierkanten en driehoeken van waaruit rasters voor de ontwerpen ontstonden, abstract of juist verbeeldend. Langzamerhand werd het bureau steeds bekender en zij leverden in deze periode vele werken af, hoewel voornamelijk kleinere opdrachten. Rond 1900 ontstond echter langzaam maar zeker ook een breuk met Lauweriks. Hoewel deze laatste zich steeds sterker richtte op de meer occulte kant van de theosofie, vond de Bazel zich veel meer aangetrokken tot de praktische leer. In 1902 verhuisde hij naar Bussum, waar hij een nieuw atelier annex winkel startte, De Ploeg.

Carrière
In het Gooi kwam de carrière van de Bazel pas echt op gang. De Bazel ontwierp veel meubilair, grafische afbeeldingen en servies. Ook kreeg hij veel opdrachten voor architectuur, zoals het hoofdkantoor van de Nederlandse Heidemaatschappij te Arnhem, dat gelijkenissen vertoont met de latere NHM in Amsterdam. De Bazel kreeg in deze periode ook de opdracht voor het ontwerpen van het Brediuskwartier, een woonbuurt in Bussum dat inmiddels een beschermd dorpsgezicht is. Maar de meeste opdrachten kreeg de Bazel voor de vele villa’s en (riante) landhuizen voor de elite. Hij had echter grote moeite dit in zijn ideale socialistische wereldbeeld te passen, hetgeen hem duidelijk ongelukkig stemde. Het feit dat het vooral de goed opgeleide en rijkere elite was die geïnteresseerd was in politiek en complexe vernieuwende wereldbeelden bleek voor meer architecten een frustrerend gegeven. Architectuur en kunstnijverheid was in die tijd geen aangelegenheid voor de arbeidersklasse.

Dit veranderde in het begin van de 20e eeuw met de invoering van de woningwet van 1901. Niet alleen ontstond de mogelijkheid om aan de enorme behoefte aan degelijke woningen te voldoen door coöperatief opgezette verenigingen, de invoering van de welstand eiste dat deze gebouwen ook door architecten werden ontworpen. Voor de gemeentelijke woningdienst, heeft de Bazel twee woningbouw blokken ontworpen aan het van Beuningenplein en rondom het Zaandammerplein in de Spaarndammerbuurt, maar zijn werk werd toen al gezien als te statisch en weinig revolutionair. De reden dat de Bazel niet bekend is geworden met stedelijke woningbouw is dat de Bazel toentertijd al iets ouder was. Zijn ontwerpen konden zich niet meten met de krachtige en tot de verbeelding sprekende gebouwen van de Amsterdamse School.

Net als onder andere Copier en Berlage werd De Bazel gevraagd door de Glasfabriek in Leerdam voor het ontwerp van servies en vazen. Zijn ontwerpen in geperst gekleurd glas werden vanaf 1916 uitgevoerd. Ook hier waren de ontwerpen gebaseerd op geometrische patronen.

De NHM
Rond 1900 werd door de gemeente Amsterdam besloten dat voor een betere ontsluiting van de stad een aantal toegangswegen verbreed moest worden. De Raadhuisstraat was één van de nieuwe doorgangen naar de binnenstad, maar in 1916 werd besloten dat ook de Vijzelstraat moest worden verbreed. De Bazel werd aangesteld als esthetisch adviseur om het geheel visueel in goede banen te leiden. Er waren veel grote partijen die interesse hadden in een stuk grond aan de nieuw te vormen straat. De nieuwe Vijzelstraat kreeg een nieuw hotel (het Carlton hotel van GJ Rutgers) een flatgebouw (de Vijzelflat van JM van der Mey) en een nieuw kantoor voor de Nederlandse Handelsmaatschappij, een in 1824 door koning Willem I opgerichte instelling die de handel met Nederlands-Indië moest stimuleren. Tegen 1920 had de NHM haar activiteiten van handel en transport laten vieren en had zich toegespitst op het bankwezen. Om geen problemen te krijgen met het ontwerp bij de welstand, besloot de instelling om de Bazel ook te vragen voor het ontwerp van het gebouw.

Voor het ontwerp van het kolossale kantoorgebouw maakte de Bazel een rastersysteem, waarlangs het volledige gebouw is ontworpen. Voor de decoraties liet hij zich inspireren door motieven uit Nederlands-Indië. Tijdens de bouw is hem geleidelijk aan gevraagd steeds meer verdiepingen toe te voegen, waardoor hij zich genoodzaakt zag de bovenste twee verdiepingen getrapt te laten terugvallen. Aan de buitenzijde zijn op de hoeken allegorische verbeeldingen van de Handel en de Scheepvaart te zien. Naast de entree verbeelden twee vrouwelijke figuren Europa en Nederlands-Indië. Hog boven de entree bevinden zich nog de drie beeltenissen van JP Coen, HW Daendels en van Heutz, allen tegenwoordig enigszins controversiële figuren, maar toentertijd gezien als belangrijke personages in de historie van Nederlands-Indië.

De bouw van het gebouw begon in 1919 en zou tot 1926 duren. Het was november 1923, nog voordat het gebouw van de NHM gereed was, dat de Bazel op 54-jarige leeftijd stierf in de trein op weg naar de begrafenis van Michel de Klerk, die kort daarvoor ook was overleden.

Vandaag de dag is het Stadsarchief van Amsterdam in het gebouw gevestigd. Het bezoek van het gebouw is de moeite waard. Er worden in het weekend rondleidingen gegeven door het gebouw.

Enkele werken van de Bazel:
- De synagoge van Enschede, een ontwerp dat pas na zijn dood werd uitgevoerd. (1927-1928)
- Het Brediuskwartier te Bussum
- Woningbouw aan het van Beuningenplein
- Woningbouw aan het Zaandammerplein


Bronnen:
- Bax, M, 2007, K.P.C. de Bazel (1869-1923), vormgever van een nieuwe wereld, Bekking & Blitz, Amersfoort
- Hageman, M. en Smit, L, (2007), De Bazel, Tempel aan de Vijzelstraat in Amsterdam, uitgeverij Thoth, Bussum
- Wikipedia
- Buigrafie van de Bazel op NAi.nl

Foto's:
- NHM Vijzelstraat ext: SPQA Amsterdam
- De Bazel: NAi
- Boekomslag: dbnl.org
- Zaandammerplein: SPQA Amsterdam
- Glaswerk: Gemeentemuseum Den Haag
- Safe deposit: Stadsarchief Amsterdam
- Vergaderzaal De Bazel: Wikipedia


Lees meer...

5 jan 2012

Architect belicht: Nicolaas Lansdorp

Nicolaas Lansdorp is vooral bekend vanwege zijn tijd bij de Dienst Publieke Werken, waar hij een zeer sobere, maar toch herkenbare stijl ontwikkelde van de late Amsterdamse School. Zijn bekendste werken zijn de nieuwe vleugel van het voormalige stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal en de Centrale Markthal in West, maar heeft vooral zijn stempel op de stad gedrukt met de talloze scholen voor de Dienst Publieke Werken. Nadat de Amsterdamse School met de dood van Michel de Klerk een stuwende kracht had verloren was hij een van de architecten die de stijl een nieuwe richting heeft gegeven met een versoberde, strakkere variant die beter aansloot bij de nieuwe architectuuropvattingen van het einde van de jaren ’20 en begin jaren '30. Hij was betrokken bij de ontwerpen van zo’n 2000 woningen, maar is vooral bekend geworden vanwege de 160 scholen die hij bouwde voor Amsterdam.

In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.

Nicolaas Lansdorp (1885-1968) is in Amsterdam geboren, waar hij na het behalen van de openbare handelsschool als leerling van de gebr. Baanders en van Eduard Cuypers, het bureau waar ook Michel de Klerk, Piet Kramer en Joan van der Meij zijn begonnen. Na drie jaar gewerkt te hebben voor de Openbare Werken in Rotterdam, was hij vanaf 1919 bij de dienst Publieke Werken in dienst, de Amsterdamse tegenhanger onder de gemeentearchitect AR Hulshoff. In 1929 werd hij zelf benoemd als hoofdarchitect van deze dienst. Tijdens deze periode was hij verantwoordelijk voor vele municipale gebouwen. Hiernaast was hij als zelfstandig architect vooral actief als woningbouwarchitect in Amsterdam Zuid en West.

Publieke Werken (Stadhuis en Markthallen)
De dienst Publieke Werken in Amsterdam was een zeer machtig orgaan, dat verantwoordelijk was voor stedebouwkundige plannen, openbare gebouwen, maar ook een hand had in de algehele stijl vorming van de nieuwgebouwde buurten in de stad. De directeur van deze dienst, ir WA de Graaf, presenteerde zijn dienst het liefst als een samenwerkend collectief, waar het ideaal van het gesamtkunstwerk hoog stond aangeschreven. De ontwerpen werden ook niet door individuele architecten ondertekend, hetgeen het moeilijk maakt de specifieke architect van de verschillende gebouwen aan te wijzen. Toch is de hand van verschillende architecten te herkennen aan verschillende details en oplossingen. Lansdorp heeft met zekerheid gewerkt aan

In 1926 heeft hij de opdracht gekregen voor het ontwerpen van de nieuwe vleugel van het stadhuis. Hoewel Hulshoff ook als architect wordt genoemd, is het waarschijnlijk dat deze als hoofd van de dienst slechts een kleine rol heeft gehad in het project. De handtekening van Lansdorp staat onder de tekeningen. De visuele explosies van de Amsterdamse School waren rond die tijd al enigszins uit de mode geraakt, mede door de hoge kosten die hiermee gepaard gingen en de nadruk verschoof naar andere aspecten van deze stijl, zoals de algehele compositie van de gebouwen, symboliek en subtielere details. Toch werd het stadhuis gezien als een belangrijk gebouw waar het nodige budget voor werd uitgetrokken en er werd een breed scala aan ontwerpers aangetrokken voor de realisatie van een waar gesamtkunstwerk. Onder andere werkten ze mee aan de interieurs van de raadzaal (Penaat) en de trouwzaal (Lebeau), beeldhouwwerk (Krop, Raedecker, Mendes da Costa), muurschilderingen (Thorn Prikker), glas-in-lood (Roland Holst). Het gebouw is tot 1988 in gebruik geweest als stadhuis, waarna Sofitel het gebouw in gebruik heeft genomen als hotel The Grand.

Een ander bekend werk van Lansdorp is de Centrale Markthal aan de Jan van Galenstraat (1934). Het complex, dat tegenwoordig Food Center Amsterdam heet is een groot complex voor de doorvoer van alles wat met voedsel te maken heeft. Het gebouw ondergaat momenteel een metamorfose, waarbij het in 2007 tot monument benoemde centrale gebouw bewaard wordt.

Scholen
Rond 1920 werden door de invoering van de leerplicht en de algehele gelijkstelling tussen bijzonder onderwijs en openbaar onderwijs een groot aantal nieuwe scholen gebouwd. Hiermee gepaard ging een moderniseringslag van het schoolgebouw in het algemeen. Niet alleen over de opstelling en indeling van de klas, maar ook de positionering van de lokalen en de bijzondere faciliteiten van de scholen werden een onderwerp van discussie.

De bouw van scholen was de verantwoordelijkheid van de dienst Publieke Werken. Lansdorp was een architect die zeer begaan was met de discussie van het scholenvraagstuk en ondanks de eerder besproken collectiviteit bij de dienst, kan er dan ook met zekerheid gezegd worden dat hij bij de ontwikkelingen van de meeste van 160 scholen verantwoordelijk was voor het grootste gedeelte van het ontwerp. De eerste projecten hebben veel weg van de Amsterdamse School, maar langzamerhand komen ontwerpoplossingen van de strakkere Delftse School, en Scandinavische invloeden meer naar voren. Kenmerkend hieraan is het contrast tussen muren van donkere baksteen en de grote ramen, de romantische compositie van strakke bouwvolumes en de plaatsing van enkele sierlijke en unieke, maar functionele delen die het gebouw een eigen gezicht geven. Wit geschilderde kozijnen en een groot zadeldak van donkere of oranje dakpannen maken het geheel af.

Onder zijn bekendere voorbeelden zijn onder andere de MTS voor bouwkunde aan de Dongestraat/ Dintelstraat (1928-1929), de Gerrit van der Veenschool (vroeger de gemeentelijke Meisjes HBS) (1929-1930) en het Vossius gymnasium (1926-1933). Allen bestaan uit een langgerekt volume met enkele haaksgelegen kortere delen. Ook is de plaatsing van de schoolpleinen en enkele verticale accenten, zoals een toren bij elk van de scholen een terugkomend kenmerk.

Andere noemenswaardige scholen van zijn hand, zijn onder andere de scholen aan het Hygiëaplein en het huidige Joke Smit (vroeger lyceum voor meisjes) aan de Reijnier Vinkeleskade. Deze beide hebben meer kenmerken van de Amsterdamse School. De ontwerpen zijn dan ook van eerdere datum.

Lansdorp was in zijn latere leven invloedrijk als architectuurtheoreticus en docent aan de Rijksacademie voor beeldende kunsten, Hoogleraar aan de Technische Hogeschool in Delft en als jurylid bij prijsvragen. Ook was hij betrokken bij de restauratie van verschillende monumentale gebouwen. Als woningbouwarchitect heeft hij onder andere woningen aan de Vechtstraat ontworpen. Lansdorp is in 1968 overleden in Haarlem.

Bronnen:
- Bonas.nl
- Onsamsterdam.nl
- Parool.nl
- Roegholt, R, 1995, De laatste school van Nico Lansdorp: Het Vossiusgymnasium, in tijdschrift Amstelodamum
- Mieras, JP, 1923, De verbouwing van het raadhuis te Amsterdam, in Bouwkundig Weekblad No 25

- Foto Raadhuis: SPQA Amsterdam
- Foto Lansdorp: Beeldbank Amsterdam
- Foto Gerrit van der Veenschool: Bolhuis

Lees meer...

6 dec 2011

Architect belicht: JF Staal (2)

Vorige week is een start gemaakt met een beknopte biografie over Architect Jan Frederik Staal. De architect, die tegenwoordig aardig onderbelicht blijft, heeft mij altijd weten te boeien, juist vanwege de verscheidenheid van zijn ontwerpen en zijn vermogen om elke keer een visueel sterk ontwerp neer te zetten. Vorige week zijn de vroege werken van Staal aan bod gekomen. Deze week wordt meer aandacht besteed aan zijn latere en waarschijnlijk bekendere ontwerpen. Deel 2 van een tweeluik over deze architect.

In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.

Vorige week is de Amsterdamse School periode van Staal al enigszins besproken. Deze periode is tevens de periode waar Staal in uitblonk. Tijdens het grootste deel van deze periode die voor Staal van ongeveer 1918 tot 1930 duurde was hij tevens redacteur van het tijdschift Wendingen, een toonaangevend en kritisch tijdschrift, ontstaan uit het genootschap van Architectura et Amicitia, waar veel Amsterdamse School architecten voor schreven. Het blad, dat opgericht was door H. Th. Wijdeveld, behandelde naast nieuwe gebouwen een grote verscheidenheid aan verwante onderwerpen, zoals meubilair, kunst, maar ook typografie en uitheemse architectuur.

De Samenwerking
Een karakteristiek voorbeeld uit deze periode van Staal vormt het bouwblok voor De Samenwerking aan de JM Coenenstraat uit 1921-1924. De Samenwerking was een coöperatieve vereniging voor gegoede gemeenteambtenaren. Anders dan bij andere coöperaties, werden architecten hier niet naar ideologie of geloof uitgezocht. Staal behoorde net als zes andere architecten, waaronder Michel de Klerk, Gratama en Van Epen tot een voorselectie, waarna zij schetsen moesten inleveren. In eerste instantie werd Staal niet uitgekozen, maar later mocht hij dit blok toch ontwerpen.

Vooral de hoekpartij aan de Bartholomeus Ruloffsstraat, die de indruk wekt van het samenkomen van lange volumes, vormt een spectaculaire compositie van cillindrische en kubistische vormen. Het is vooral deze hoek die op de foto wordt genomen, maar de zijde aan de Bronckhorststraat laat eveneens een mate van fantasie en oog voor detail zien, dat de meeste andere gebouwen overschaduwd. Het is de zijde aan de JM Coenenstraat, met de stalen traplichten, die het verlangen van Staal illustreert, om met nieuwe materialen te experimenteren. Deze manier van ontwerpen, waarbij afzonderlijke delen van een gebouw een ander uiterlijk krijgen, kan gezien worden als een verlangen om het stedenbouwkundige plaatje ook mee te nemen. Niet alleen levert het een gevarieerd straatbeeld op, het is ook een poging een gesamtkunstwerk te vormen, waarbij de omgeving van het gebouw en het gevoel hierbij wordt meegenomen in de afzonderlijke delen van het gebouw. Deze idealen zijn ook in de blokken van De Dageraad en Het Schip van Michel de Klerk en Piet Kramer aanwezig, hoewel Staal de nadruk meer legt op de compositie van de rondingen, vlakken en volumes, terwijl de blokken van de andere twee zich concentreren op een rijke en gevarieerde detaillering.

Andere gebouwen uit deze periode vormen onder andere het iets subtielere bouwblok aan de Pythagorasstraat, Copernicusstraat en Linnaeusparkweg in Watergraafsmeer (1919-1920), de bebouwing aan de Jan Evertsenstraat bij het Mercatorplein (1925) en het Nederlandse paviljoen van de wereldtentoonstelling in Parijs (1925), waarvoor Staal de Grand Prix voor Architectuur ontving.

Zakelijke periode
Nadat de uitbundige passie van de Amsterdamse School enigszins was getemperd door ontwikkelingen als de crisis, en de stijl zich verder ontwikkeld tot een soberdere variant, is Staal weer een van de voorlopers en hij weet de nieuwe technologische ontwikkelingen die elders plaats vinden in meer of mindere vorm samen te voegen met Amsterdamse School invloeden en tot nieuwe gebouw types te ontwikkelen. Om kosten te sparen, vindt er een verschuiving in de architectuur plaats die zich kenmerkt door het gebruik van meer kubistische, strakkere vormen en het veelvuldig achterwege laten van spectaculaire en kostbare details.

Het Telegraafgebouw (1925-1930) is een mooi voorbeeld van een tussenvorm, aangezien het ook nog steeds trekken heeft van de Amsterdamse School. Dit is vooral te zien in de toren van meer dan 47m hoog, welke was versierd met keramiek, beeldhouwwerk van Hildo Krop en in de kleine raampjes, zaten letters, “Telegraaf”, die ’s nachts oplichtten. Het beeldhouwwerk stelde vier krantenjongen voor die naar alle windrichtingen riepen. In 2004 zijn replica’s hiervan herplaatst. De sobere, licht gevel, waarachter de kantoren en op de begane grond de persen. Deze waren zo zwaar dat de fundering uitzonderlijk robuust is uitgevoerd. Staal heeft zich voor deze oplossing en vanwege de hoogte van het gebouw laten helpen door de ingenieur G.J. Langhout.

Een tweede voorbeeld uit deze periode is de Wolkenkrabber (1927-1930) aan het Victorieplein in Zuid, of het Daniël Willinkplein, zoals het tot 1945 heette. Het 40 meter hoge gebouw vormt de afsluiting van de Vrijheidslaan, de entree van Plan Zuid. Voor het 12-verdiepingenhuis, zoals het gebouw officieel heet is duidelijk dat Staal zich verwijderde van de sierlijke Amsterdamse School en experimenteerde met nieuwe technologieen en materialen, zoals gewapend beton, staal en glas. Het vormde het eerste gebouw van deze hoogte in Nederland en was voor die tijd ongekend modern. Naast de wolkenkrabber ontwierp Staal ook het achterliggende en bijbehorende complex met woningen aan het Merwedeplein/Churchilllaan/Rooseveltlaan.

Een ander voorbeeld uit deze periode vormt het blok aan de Jan Evertsenstraat (1925) en de bloemenveiling in Aalsmeer (1928).

De invloed van de Nieuwe Zakelijkheid is langzaam maar zeker ook in de ontwerpen van Staal te merken. Enigszins tegelijkertijd met de bovengenoemde gebouwen ontwerp Staal in Rotterdam, de Koopmansbeurs. Hoewel dit gebouw pas in 1940 gereed kwam, kreeg Staal de opdracht al in 1925 na een gewonnen prijsvraag. Staal experimenteert met nieuwe materialen en het gebouw lijkt ondanks zijn leeftijd, in het moderne Rotterdam niet te misstaan.
Rond dezelfde tijd bouwt Staal nog een woningblok aan de Apollolaan/ Beethovenstraat/ Corellistraat (1938), dat zich kenmerkt door de donkere erkers met de ronde kozijnen en dat hij hier, in tegenstelling tot de rest van Amsterdam Zuid geen gesloten bouwblok heeft neergezet, maar een gebouw dat meer weg heeft van strokenbouw, met een lager gedeelte aan de zuidkant om de woningen van meer lichtinval te voorzien.

Staal is in 1927 met een beeldhouwwerk van zijn beeltenis op de hoek van de Minervalaan en de Gerrit van der Veenstraat vereeuwigd. Dit werk is onderdeel van het rijke beeldhouwprogramma op de vier gebouwen op deze kruising. De architect van deze gebouwen, G.J. Rutgers liet, op eigen kosten, door Toon Rädecker de voltallige schoonheidscommissie van Amsterdam Zuid uithakken temidden van verbeeldingen van de kunsten, ambachten, mythologische figuren en de seizoenen, waar ook Jaap Kaas aan meewerkte. In 1940 is Staal op 61-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van een maagoperatie.

Bronnen:
- Casciato, M. (1991). The Amsterdam School. Rotterdam, Uitgeverij 010.
- Stissi, V. (2007). Amsterdam, het mekka van de volkshuisvesting, Sociale woningbouw 1909-1942. Rotterdam, Uitgeverij 010.
- Burkom, F. Van, et al. (2009). Kunst aan de straat, Amsterdam, Uitgeverij Bas Lubberhuizen
- Geïllustreerd Weekblad van 26 oktober 1928, gevonden op: buitenbeeldinbeeld.nl

- Een artikel over de wolkenkrabber op zuidelijkewandelweg.nl
- Een artikel over het Telegraafgebouw op de site van het grachtenhuis


Lees meer...

30 nov 2011

Architect belicht: JF Staal (1)

Architect Jan Frederik (Frits) Staal was absoluut een veelzijdige architect. In plaats van trouw te blijven aan een eigen stijl, bleek hij steeds mee te evolueren met de nieuwste ontwikkelingen in de architectuur en hield hij er van om te experimenteren met nieuwe materialen en bouwtechnieken. Hoewel zijn oeuvre grote verscheidenheid kent, bleef hij ook altijd onderscheidend en op de voorgrond van de Amsterdamse architectuur en een inspiratie voor veel tijdsgenoten.
Een aantal karakteristieke gebouwen van zijn hand, zoals het Telegraafgebouw en de Wolkenkrabber behoren tot de bekenderen van Amsterdam. Deel 1 van een tweeluik over deze bijzondere architect.

In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.

Jan Frederik Staal (Amsterdam, 1879 - 1940) was een zeer tot de verbeelding sprekende architect die veel architecten inspireerde. Tijdens zijn leven, maar nu nog steeds.

Staal is zijn carrière in de bouw begonnen bij het bedrijf van zijn vader, een aannemer. Hier leerde hij een andere architect kennen: Alexander Kropholler. Zij besloten in 1902 om samen een bureau voor architectuur te beginnen. Staal was tijdens een reis door Amerika betoverd geraakt door de vernieuwende kantoorarchitectuur in dat land en dat is te zien in de eerste ontwerpen die het bureau aan het Damrak in 1904 maakte voor De Utrecht, een levensverzekeringenmaatschappij.
Dit gebouw is stylistisch een unieke combinatie van Amerikaanse Art Nouveau, eclectisisme en andere expressionistische invloeden. Let vooral op het beeldhouwwerk van het gebouw. De sterk religieus aandoende beelden, de verschillende dieren en ook is een plaquette met de namen van de architecten aan de zuidkant van de voorgevel te vinden.

Erg lang heeft de samenwerking met A. Kropholler niet geduurd. Margaret Kropholler, de zus van laatstgenoemde kwam op het bureau als assistente te werken en al gauw ontstond een affaire tussen haar en Staal, die zij in eerste instantie stilhielden, omdat Staal al was getrouwd.
Ook verwijderde de ideeën van de twee compagnons zich rond die tijd. Terwijl Kropholler zich bekeerde tot het katholicisme, begon Staal steeds meer te voelen voor het socialisme, een in die tijd vernieuwende stroming die populair was onder kunstenaars en architecten. Blijkbaar werd het Alexander allemaal teveel, want hij verliet het bureau en ging voor zichzelf werken.

Beide begonnen een eigen bureau en veel later, in 1936, trouwde Frits met Margaret. Margaret Staal-Kropholler wordt gezien als de eerste vrouwelijke architecte van Nederland.

Één van de eerste gebouwen die Staal als zelfstandig architect ontwierp was het magazijn en kantoorgebouw in de Reguliersdwarsstraat 108 – 114 voor de industrialist en socialist A. Heijstee die zijn geld had verdiend met de productie van tegelwerk. Tegenwoordig zit feestcafé Jantje’s Verjaardag in het pand en AT5 heeft hier enige tijd terug een kantoor bemand op de bovenverdiepingen.

De Amsterdamse School
Staal raakte erg onder de indruk van de vernieuwende ontwerpen van de eveneens socialistische Michel de Klerk en hij begon de vormentaal over te nemen, die later de Amsterdamse School werd genoemd. Staal liet zich steeds meer zien in socialistische kringen en vormde samen met de Klerk, Wijdeveld en Gratama een kleine groep binnen de Amsterdamse School die probeerde met architectuur en kunst een oplossing te vinden voor de sociale problematiek van de stad in het begin van de 20e eeuw. Staal was eigenlijk een stuk ouder dan de rest van de Amsterdamse Schoolarchitecten, maar zijn enthousiasme, zijn contacten en talent voor het sierlijke zette hem wel in de voorhoede van deze beweging.

Het was in deze socialistische kringen dat Staal Heijstee had ontmoet. Deze bezorgde Staal vervolgens een nieuwe opdracht: Heijstee wilde zijn voorliefde voor de kunst met zijn verdiende geld steunen met een villapark voor kunstenaars. Staal kreeg de leiding over het ontwerp voor Park Meerwijk in Bergen, dat rond 1918 gereed kwam. De enige voorwaarde die Heijstee stelde, was dat er rijkelijk gebruik moest worden gemaakt van tegels uit zijn fabriek. Dit werden Staal zijn eerste ontwerpen in de Amsterdamse Schoolstijl

Zelf ontwierp Staal vijf van de zeventien woningen, waaronder villa’s de Bark en de Ark die, zoals de namen doen vermoeden, ontwerpdetails hebben die aan de scheepvaart doen denken, en een drie-onder-één-kap met bijbelse namen Bilbad, Elifaz en Zofar. Voor de overige villa´s vroeg Staal een aantal jonge architecten die zich ook met Amsterdamse School ontwerpen hadden bewezen. Guillaume LaCroix, Piet Kramer, C.J. Blaauw en zijn eigen vrouw Margaret Kropholler. Joan van der Meij ontbrak, omdat hij nog bezig was met het Scheepvaarthuis en geen uitgesproken socialist was. Waarom Michel Klerk ontbrak is niet duidelijk, maar waarschijnlijk was hij op dat moment op huwelijksreis.

Staal heeft de algemene leiding over het project gekregen en was ook verantwoordelijk voor het stedenbouwkundig plan. Het park wordt gezien als één van de meest typerende voorbeelden van de Amsterdamse Schoolbeweging, temeer omdat de architecten hun creativiteit de vrije loop konden laten. De villa´s in het park kenmerken zich door een sterk landschappelijk karakter, met veel sprookjesachtig ogende details en creatieve oplossingen met bakstenen en weelderige rieten kappen.

Ondanks de huidige bewondering voor het park werd er in 1918 anders tegenaan gekeken, zoals een beschouwing van de architectuurcriticus A. Boeken in het tijdschrift Elsevier laat zien. Het park en de idealen van de architecten werd afgedaan als onsamenhangend en architectonische dwaasheid. Ook Staal zelf was niet volkomen tevreden over zijn eigen bijdrage aan het park. Deels had dit ook te maken met de geringe invloed die de architecten hadden op de bouw.

Het park bestaat tegenwoordig nog steeds, hoewel er in de loop der tijd veel is veranderd. Drie villa’s van Piet Kramer zijn al in 1922 verwoest door brand. Het tuinhuisje dat hier bijhoorde is verbouwd tot woonhuis en er zijn in het park inmiddels een aantal extra woningen tussen de oorspronkelijke villa’s gebouwd. Toch is het park het bezoeken waard, vanwege deze vroeg experimentele vorm, maar pure vorm van de Amsterdamse School.

Lees hier het vervolg, waarin onder meer verder wordt ingegaan op de latere werken van Staal, zoals de JM Coenenstraat, de Wolkenkrabber en het Telegraafgebouw.

Bronnen:
- Informatieve website over het Park Meerwijk op jantromp.nl
- Boeken, ir. A. Over het Park Meerwijk te Bergen, in: Elsevier Jaargang 28, Deel 56, 1918 juli-december

Foto's:
- De Utrecht: SPQA Amsterdam
- Staal: zuidelijkewandelweg.nl
- Bergen: SPQA Amsterdam

Lees meer...