Het is vandaag 156 jaar geleden dat Hendrik Petrus Berlage, een van Nederlands meest bekende architecten geboren werd aan de Keizersgracht in Amsterdam. Een mooie aanleiding voor ons om een stuk aan hem te wijden. Berlage wordt gezien als een van de bekendste en invloedrijkste architecten van Nederland. Een van zijn belangrijkste en beroemdste gebouw is wel de Beurs van Berlage in Amsterdam maar hij ontwierp veel meer dan dat.
Berlage hield zich namelijk niet alleen bezig met het ontwerpen van gebouwen. Hij was ook verantwoordelijk voor interieurontwerpen waarbij hij ook veel meubilair heeft ontworpen. Daarnaast was hij ook een van de oprichters van ’t Binnenhuis, een verkooplokaal voor kunstnijverheid aan het Amsterdamse Rokin. Maar naast het ontwerpen van interieurs had Berlage ook een grote interesse in stadplanning wat zich uitte in Plan Zuid in Amsterdam. Berlage was een zeer veelzijdig architect en ontwerpen en het is dan ook niet mogelijk dat alles te bespreken in een artikel. In dit artikel zal aandacht worden besteed aan de loop van zijn carrière en enkele beroemde gebouwen.
In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.
Hendrik Petrus Berlage
Berlage werd geboren aan de Amsterdamse Keizersgracht op 21 februari 1856. Zijn kinderjaren bracht hij door in Amsterdam waarna het gezin verhuisde naar Arnhem waar hij naar het HBS ging. Hij was zeer geïnteresseerd in architectuur en volgde een opleiding aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Tijdens zijn opleiding in Zürich werd hij beïnvloed door de architecten Gottfried Semper en Eugène Viollet-le-Duc. Deze invloed is voornamelijk terug te zien in zijn vroegere en meer klassieke ontwerpen. Na het afronden van zijn opleiding maakte hij een ‘Grand Tour’ door Duitsland en Italië. De reisherinneringen van Berlage werden in 2009 uitgegeven onder de titel Italiaanse reisherinneringen die werden ingeleid door Herman Bergeijk.
Na zijn ‘Grand Tour’ vestigde Berlage zich in Amsterdam waar hij in 1881 een samenwerkingsverband aanging met Theodor Sanders, die was opgeleid tot ingenieur. Sanders was op dat moment bezig met de constructie van het Nederlands Panopticum in de Amstelstraat. De samenwerking tussen Sanders en Berlage zorgde er voor dat de carrière van Berlage goed op gang kwam. Sanders zat bijvoorbeeld ook in de NV Maatschappij voor Koffiehuizen, een organisatie die vanaf 1879 koffiehuizen bouwden voor arbeiders. Samen met Sanders ontwierp Berlage in 1883-1884 koffiehuis De Hoop aan de De Ruyterkade in Amsterdam. Het was hun eerste gezamenlijke project. Het gebouw is in 1920 gesloopt op ruimte te maken voor een uitbouw van het Centraal Station, maar doet denken aan een ander gebouw van Berlage in Amsterdam. Berlage ontwierp op de Kalverstraat 152, op de hoek met het Spui, een winkelgebouw met kantoren voor de firma Focke&Meltzer. Tegenwoordig bevind zich in het gebouw de boekhandel Waterstone’s. Beide gebouwen vertonen duidelijke Renaissance invloeden wat goed te zien is in het gebruik van pilasters met Corinthische kapitelen. Berlage ontwierp in die periode dus duidelijk in een historiserende stijl die aan het eind van de negentiende eeuw zeer populair was.
Door een depressie in het midden van de jaren 1880 begon er een slechte periode voor Berlage en Sanders waarin ze maar weinig opdrachten kregen. In 1889 sloten zij dan ook hun bureau en ging Berlage verder als een freelance architect.
Een van zijn klanten bleef hem trouw, namelijk De Erven Lucas Bols, die Berlage tussen 1887 en 1895 meerdere opdrachten gaf om de interieurs van drinklokalen in verschillende Europese steden te ontwerpen. Daarnaast gaf Berlage vanaf 1887 les op de Quellijnschool een school voor kunst en nijverheid die in 1879 was opgericht door P.J.H. Cuypers. In 1887 trouwde Berlage met Marie Bienfait waardoor hij in aanraking komt met de dichter Albert Verwey en dichter en psycholoog Frederik van Eeden. Daarnaast ging hij zich ook meer met politiek bezighouden en kwam hij via de Breero Club, een genootschap van intellectuelen, politici en kunstenaars met radicale ideeën, in contact met E.D. Pijzel, P.L. Tak en de radicaal M.W.F. Treub. Voor velen van hen ontwierp Berlage villa’s, waaronder een voor Frederik van Eeden in Bussum en voor Pijzel aan de Van Baerlestraat. Via deze personen kwam hij ook in contact met Henri Polak, voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), wat uiteindelijk zou leiden tot de opdracht voor het hoofdgebouw van de ANDB tussen 1898 en 1900 aan de Henri Polaklaan (voorheen Plantage Franschelaan) in Amsterdam.
Gebouw De Algemeene en Gebouw De Nederlanden van 1845
Als freelance architect deed Berlage vaak mee aan prijsvragen waardoor veel van zijn ontwerpen nooit gerealiseerd zijn. Twee bekende gebouwen die hij in die periode ontwierp zijn het gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Algemeene, tussen 1892 en 1894 en een uitbreiding in 1901-1905, en een gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845 tussen 1894 en 1895 en een verbouwing en uitbreiding in 1910 en 1911.
In deze gebouwen, de eerste op het Damrak, de ander op het Muntplein, is al meer te zien van de rationalistische stijl waarmee Berlage zo bekend geworden is. Hij laat bij deze gebouwen duidelijk de neostijlen van de late negentiende eeuw achter zich. Het rationalisme gaat uit van het principe dat alle architectonische problemen rationeel zijn op te lossen. Daarmee is zij heel anders dan bijvoorbeeld de Art Nouveau waarbij men een veel meer gevoelsmatige aanpak had. Het gebouw voor De Algemeene kan dan ook als belangrijk worden beschouwt voor zijn verdere loopbaan als architect. Hij werd om dit gebouw geprezen door andere architecten. Het gebouw was wel modern maar had nog steeds herkenbare elementen. Maar nog vernieuwender was het gebouw voor De Nederlanden van 1845 op het Muntplein. Daar waar het gebouw voor De Algemeene nog enkele neogotische kenmerken had, zijn die bij het gebouw voor De Nederlanden niet meer te zien. Het is al een stuk strakker en soberder en vormt daarmee een mooie opmaat naar de bekende Beurs van Berlage.
De Beurs van Berlage
De Beurs wordt door de meeste mensen gezien als het hoogtepunt van de carrière van Berlage. Al vanaf 1873 werden er plannen gemaakt om het toenmalige beursgebouw, de Beurs van Zocher aan te passen. Adriaan Willem Weissman, gemeentearchitect, had de opdracht gekregen daar een ontwerp voor te maken. In 1895 trad echter Treub aan als directeur van de Dienst Publieke Werken en hij vond het ontwerp van Weissman niet goed. Treub gaf in 1896 de opdracht aan Berlage. Hij ontwierp, met steun van Treub, echter niet een uitbreiding voor de Beurs van Zocher maar een geheel nieuw beursgebouw. De plannen werden pas in maart 1898 door de gemeente gepubliceerd en op dat moment waren die in een zo ver gevorderd stadium dat tegenstanders geen bezwaar meer konden maken. In mei van datzelfde jaar werd er begonnen met de bouw. Op 27 mei 1903 werd het gebouw geopend.
Berlage wordt beschouwt al rationalist, wat inhoudt dat bijvoorbeeld architectonische problemen rationeel zijn op te lossen, en niet gevoelsmatig zoals bijvoorbeeld bij de Art Nouveau. Bij de Beurs heeft Berlage er bijvoorbeeld voor gezorgd dat vormen en ornamenten nauw aansloten bij de constructie van het gebouw. Maar er zijn in dit gebouw ook neoromaanse kenmerken te vinden en het gebouw met zijn toren doet ook sterk denken aan Romaanse kerken uit Noord-Italië. Daarnaast wordt het gebouw tegenwoordig ook gezien als de voorloper van de Amsterdamse School stijl en het Nieuwe Bouwen. Opvallend is dat aan de buitenkant van het gebouw nauwelijks te zien is dat het om een beursgebouw gaat. Het staat slechts in kleine letters aangegeven op de gevel aan de kant van het Beursplein. Het gebouw vormt een duidelijke eenheid maar heeft wel aan alle zijde een andere façade. De façade aan het Beursplein is zeer monumentaal en heeft veel weg van een kerk met de bogen boven de ingangen en de toren. De toren staat mooi in het verlengde van het Damrak dat het Centraal Station verbindt met de Dam. De façade verwijst ook naar het oude stadhuis van Amsterdam dat in de zeventiende eeuw werd vervangen door dat van Van Campen wat tegenwoordig het Paleis op de Dam is. De damrak zijde heeft echter een heel ander uiterlijk. Het silhouet verwijst naar het Centraal Station van P.J.H. Cuypers. De façade is echter geheel plat, slechts onderbroken door de ramen. Het voormaat van de erkers is ontleend aan dat van de gebouwen aan de overkant van de straat. Ook de noordkant van het gebouw dat gericht is naar het Centraal Station en aan het water lag heeft juist weer een heel open façade. Het gebouw is aan versierd met verschillende beeldhouwwerken en sluistenen die zijn gemaakt door Lambertus Zijl.
Het gebouw bood aan meer functies onderdak dan alleen een effectenbeurs. Er waren drie grote zalen die langs de lengteas gerangschikt zijn. Er was ruimte voor een effectenbeurs, een goederenbeurs en een graanbeurs. Er was ook een informatiekantoor, een ruimte voor de PTT, een kleine schippersbeurs en een koffiehuis. Het was echter niet alleen functioneel ingericht maar ook prachtig gedecoreerd. Het gebouw is wat we noemen een ‘Gesamtkunstwerk’ waarbij in- en exterieur één geheel vormen en waarbij meerdere kunstenaars samenwerken. Berlage ontwierp wel het gebouw maar liet het iconografische programma over aan Albert Verwey en is gebaseerd op twee thema’s: Amsterdam als belangrijke handelsstad en de klasseloze samenleving waarin geld geen rol speelt. Verwey maakte zelf verzen die werden uitgehakt in steen en op verschillende plaatsen in het gebouw zijn terug te vinden. Andere kunstenaars die aan het gebouw meewerkten waren Jan Toorop die tegeltableaus met daarop het verleden, heden en de toekomst ontwierp. Richard Roland Holst maakte een muurschildering met daarop ‘Industrie & Handel’ en Joseph Mendes da Costa was verantwoordelijk voor de decoratie van de vergaderzalen. Een van de mooiste zalen van het gebouw is de zaal van de Kamer van Koophandel, nu de Berlage zaal. Antoon Derkinderen ontwierp voor deze zaal, maar ook voor elders in het gebouw, gebrandschilderde ramen en maakte wandschilderingen. Deze wandschilderingen zijn tegenwoordig niet meer te zien omdat de zaal al in 1909 aangepast moest worden wegens de slechte akoestiek. De muren werden bekleed met lambrisering waardoor er niets meer van de wandschilderingen te zien is. Berlage was naast het ontwerp ook verantwoordelijk voor de inrichting van het gebouw. Hij ontwierp onder meer de lampen, hang- en sluitwerk, meubilair en hekken voor het gebouw en maakte daarmee het ontwerp compleet.
Literatuur:
- Berlage, Hendrik Petrus, Thoughts on style, 1886-1906 (Santa Monica 1996).
- Bock, Manfred, De inrichting van de Beurs van Berlage: geschiedenis en behoud (Zwolle 1996).
- Brentjens, Yvonne, H.P. Berlage (Zwolle 2010).
- Kloos, Maarten e.a. eds., Berlage in Amsterdam (Amsterdam 1992).
- Kramer, Walter, De Beurs van Berlage: historie en herstel (Zwolle 2003).
- Polano, Sergio e.a. eds., Hendrik Petrus Berlage. Het complete werk (Alphen aan den Rijn 1988).
Foto's:
- Berlage: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
- Gebouw Focke&Meltzer: Waterstone's
- Gebouw de Algemeene en gebouw De Nederlanden van 1845: NAI
- Beurs van Berlage: BMA
Lees meer...
Posts tonen met het label 't Binnenhuis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 't Binnenhuis. Alle posts tonen
21 feb 2012
3 feb 2012
’t Binnenhuis, Rechte stoelen, rechtschapen burgers (Gemeentemuseum Den Haag)
In het Gemeentemuseum Den Haag is op dit moment de expositie te zien over 't Binnenhuis. Één van de eerste designwinkels van Nederland die was opgericht door ontwerpers H.P Berlage en Jac. van den Bosch, zilversmid Willem Hoeker en financier Carel Henny als collectief van beoefenaars van toegepaste kunst. Het doel van de winkel, die tussen 1900 en 1929 wisselend succes beleefde, was om degelijke en betaalbare meubilairstukken voor gewone arbeiders te produceren. Dit laatste was echter, misschien helemaal niet het geval, zo betoogt Yvonne Brentjes, samenstelster van de expositie. De klantenkring bestond voornamelijk uit de modern georienteerde, hoogopgeleide, maar socialistische elite. Het socialistische ideaal lag dan ook niet zo zeer in de klantenkring, maar eerder in de uitvoering van de meubels. SPQA Amsterdam besloot onlangs om een kijkje te nemen bij de expositie in Den Haag, die niet teleurstelde.
't Binnenhuis
't Binnenhuis was een winkel in Amsterdam waar meubilair gekocht of besteld kon worden. De winkel is significant voor de geschiedenis van de vormgeving in Nederland, omdat het wordt gezien als één van de eerste designwinkels van Nederland. Er werden meubilairstukken verkocht van gerenomeerde architecten en ontwerpers die niet alleen met het ontwerp, maar ook met de opzet van de winkel bij wilden dragen aan een vernieuwend socialistisch wereldbeeld.
Hoewel de winkel was opgezet door drie ontwerpers, was en is Berlage veruit de bekendste van de drie. De in 1900 geopende winkel aan het Rokin draaide voornamelijk op klandizie die door de faam van Berlage als architect en stedenbouwkundige was aangetrokken. Berlage had zich altijd al aangetrokken gevoeld tot het socialisme en dat is in zijn werk, geschriften en levensloop zeer duidelijk zichtbaar. Met ’t Binnenhuis probeerden hij, Jac. (Jacques) van de Bosch, Willem Hoeker en de financier, Carel Henny deze idealen toe te passen door een socialistischere manier te vinden voor het ontwerpen en aan de man brengen van meubilair en andere huisraad.
De arme arbeidersklasse van rond 1900 had thuis meestal een onsamenhangende verzameling van goedkope, slecht zittende en in slechte staat verkerende meubilairstukken. De stukken waren vaak slecht in elkaar gezet, provisorisch gerepareerd aan de hand van afgedankte spullen of zelfs oorsponkelijk helemaal niet als meubilair bedoeld. Als de meubilairstukken al nieuw waren, dan waren ze praktisch en door lokale meubelmakers in elkaar gezet, die geen verstand hadden van comfort of ergonomie. Maar ook zat er meestal geen schoonheid in de stukken, laat staan dat er een samenhang te bekennen was in de huisraad. Aan de andere kant was er het meubilair van de hogere klassen. Het meubilair voor de elite was echter vaak duur, bombastisch en speciaal voor de opdrachtgever gemaakt. 't Binnenhuis probeerde hier een tussenweg in te vinden door eigenschappen van beide te combineren. Rijkere opdrachtgevers lieten meubilairstukken ontwerpen, welke daarna (soms in vereenvoudigde vorm of in goedkopere houtsoorten) via een catalogussysteem konden worden nabesteld door anderen. Door de grotere oplages, zouden de stukken goedkoper kunnen worden geproduceerd, zodat ze ook voor lagere klasses beschikbaar zouden zijn. Ook vernieuwend was het feit dat dit allemaal vanuit een winkel gebeurde.
Het was, in de tijd dat meubilair altijd maatwerk was, al een hele stap om tegen de elite te vertellen dat men de stoel die ze naar eigen smaak hadden laten maken, ook bij anderen thuis zouden kunnen vinden, voor een gunstiger prijs. Niet iedereen kon dit natuurlijk waarderen en alleen de sociaal begane clandizie kon zich in deze idealen vinden.
De socialistische oplossingen richtten zich niet alleen op het productieproces en klantenkring. Het socialistische ideaal dreef hen ook om na te denken hoe meubilair voor de socialist er uit moest zien en op welke manier de ontwerpen tot stand moesten komen. Zo werd er gezocht naar een eerlijk ontwerp, waarbij de eigenschappen van de verschillende materialen gebruikt werden om tot functionele en rationele, maar toch éénvoudige ontwerpen te komen. Alle houtverbindingen werden sterk uitvergroot of met andere kleuren hout geaccentueerd en nagels en hang en sluitwerk was duidelijk zichtbaar.Niet functionele versieringen werden radicaal vermeden. Ook kregen bijvoorbeeld de stoelen rechtopstaande leuningen om de houding van de socialist aan te duiden. Dit was een duidelijke afzetting tegen de onnatuurlijke ontwerpen van de Art Nouveau, een puur esthetische en daarom perverse stijl, die vooral populair was bij de hogere klassen. Tot slot moesten de ontwerpen een nieuwe nationale stijl belichamen die zijn wortels had in het Hollandse verleden van nuchtere hardwerkende arbeiders.
Een ander socialistisch getint idee was dat de winkel een collectief van ontwerpers representeerde. Berlage’s connecties zorgden ervoor dat in het eerste jaar ontwerpen van gerenomeerde namen als Karel de Bazel, Mathieu Lauweriks, Willem Penaat, Chris Lebeau en Theo Nieuwenhuis te koop waren. Door onenigheid over de organisatie en de ontwerpen vertrokken deze echter al na het eerste jaar. De winkel bleek toch succesvol en verhuisde in 1907 naar een groter pand op de Raadhuisstraat, dat was ontworpen door JF Staal en A Kropholler.
Hoewel er een sterke socialistische drijfveer achter de opzet van de winkel stak en het concept uitvoerig was uitgedacht, bleek het in de praktijk niet helemaal zo te gaan zoals men had gehoopt. De klanten kwamen vanuit de rijkere kennissenkring van de initiatiefnemers. Waar men geen rekening mee had gehouden is dat de meubilairstukken alsnog te duur bleven om voor lagere klasses aantrekkelijk te worden en dat het grootste gedeelte van de klanten toch zelf de stukken liet ontwerpen. De expositie stelt echter dat het leveren aan arbeiders ook helemaal niet het belangrijkste doel was van 't Binnenhuis. Aan de ontwerpen te zien, die met houtsnij- en inlegwerk versieringen kregen en van dure houtsoorten gemaakt werden kan worden afgeleid dat de beoogde klanten zich in de hogere klasses bevonden. Ook het type meubilair, veel comfortabele banken, theetafeltjes en bijzondere lampen, waren niet bedoeld voor de arbeider die vaak een kleine ruimte behuisde. Het meubilair was bedoeld dan wel bedoeld voor socialisten, maar daarmee niet gelijk voor arbeiders.
In 1913 trad Berlage in vaste dienst van de familie Kröller-Müller op de Veluwe, waar hij begon aan het ontwerp van het Jachtslot St Hubertus, inclusief het volledige interieur. Dit betekende feitelijk dat hij stopte bij ’t Binnenhuis, dat nog tot 1929 bestond.
Expositie
De expositie is opgesteld door Yvonne Brentjens, die eerder publicaties uitbracht over kunst en kunstenaars uit de periode rond 1900, zoals de K.P.C. Bazel en G.W. Dijsselhof. Met de expositie probeert zij naast het tonen van enkele bijzondere stukken uit de winkel, vooral een beeld te schetsen van de klanten die bij ’t Binnenhuis kochten. Tijdens het onderzoek dat aan de tentoonstelling voorafging, heeft zij het klantenboek en de catalogus met werken naast elkaar gelegd om te kunnen achterhalen waar de klantenkring van ’t Binnenhuis uit bestond. Hieruit herleidde zij dat het overgrote deel van de klanten uit een nieuw gevormde socialistische, maatschappelijk begane elite kwam die zich sterk bezighield met politiek, maatschappij en kunst.
Tot slot wordt ook relatie gelegd met het moderne leven van de overgebleven meubilairstukken, die uiteindelijk voornamelijk bij erfgenamen van de oorspronkelijke klanten terecht zijn gekomen. Hier werden zijn gefotografeerd door Johannes Schwartz in hun huidige natuurlijke omgeving, hetgeen het tijdloze karakter van de ontwerpen goed tot zijn recht laat komen.
In verband met de tentoonstelling is ook een boek uitgegeven, dat veel dieper ingaat op veel van de uitgelichte klanten.
De tentoonstelling loopt nog tot 4 maart 2012 en is zeker de moeite waard.
Bronnen:
- Kunstkanaal
- Winkelstories.nl
- Brentjens, Y. 2011, Rechte Stoelen, rechtschapen burgers, wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929), Wbooks, Zwolle
Afbeeldingen
- Foto's tentoonstelling: SPQA Amsterdam
- Boek: wbooks.nl
Lees meer...
't Binnenhuis
't Binnenhuis was een winkel in Amsterdam waar meubilair gekocht of besteld kon worden. De winkel is significant voor de geschiedenis van de vormgeving in Nederland, omdat het wordt gezien als één van de eerste designwinkels van Nederland. Er werden meubilairstukken verkocht van gerenomeerde architecten en ontwerpers die niet alleen met het ontwerp, maar ook met de opzet van de winkel bij wilden dragen aan een vernieuwend socialistisch wereldbeeld.
Hoewel de winkel was opgezet door drie ontwerpers, was en is Berlage veruit de bekendste van de drie. De in 1900 geopende winkel aan het Rokin draaide voornamelijk op klandizie die door de faam van Berlage als architect en stedenbouwkundige was aangetrokken. Berlage had zich altijd al aangetrokken gevoeld tot het socialisme en dat is in zijn werk, geschriften en levensloop zeer duidelijk zichtbaar. Met ’t Binnenhuis probeerden hij, Jac. (Jacques) van de Bosch, Willem Hoeker en de financier, Carel Henny deze idealen toe te passen door een socialistischere manier te vinden voor het ontwerpen en aan de man brengen van meubilair en andere huisraad.
De arme arbeidersklasse van rond 1900 had thuis meestal een onsamenhangende verzameling van goedkope, slecht zittende en in slechte staat verkerende meubilairstukken. De stukken waren vaak slecht in elkaar gezet, provisorisch gerepareerd aan de hand van afgedankte spullen of zelfs oorsponkelijk helemaal niet als meubilair bedoeld. Als de meubilairstukken al nieuw waren, dan waren ze praktisch en door lokale meubelmakers in elkaar gezet, die geen verstand hadden van comfort of ergonomie. Maar ook zat er meestal geen schoonheid in de stukken, laat staan dat er een samenhang te bekennen was in de huisraad. Aan de andere kant was er het meubilair van de hogere klassen. Het meubilair voor de elite was echter vaak duur, bombastisch en speciaal voor de opdrachtgever gemaakt. 't Binnenhuis probeerde hier een tussenweg in te vinden door eigenschappen van beide te combineren. Rijkere opdrachtgevers lieten meubilairstukken ontwerpen, welke daarna (soms in vereenvoudigde vorm of in goedkopere houtsoorten) via een catalogussysteem konden worden nabesteld door anderen. Door de grotere oplages, zouden de stukken goedkoper kunnen worden geproduceerd, zodat ze ook voor lagere klasses beschikbaar zouden zijn. Ook vernieuwend was het feit dat dit allemaal vanuit een winkel gebeurde.
Het was, in de tijd dat meubilair altijd maatwerk was, al een hele stap om tegen de elite te vertellen dat men de stoel die ze naar eigen smaak hadden laten maken, ook bij anderen thuis zouden kunnen vinden, voor een gunstiger prijs. Niet iedereen kon dit natuurlijk waarderen en alleen de sociaal begane clandizie kon zich in deze idealen vinden.
De socialistische oplossingen richtten zich niet alleen op het productieproces en klantenkring. Het socialistische ideaal dreef hen ook om na te denken hoe meubilair voor de socialist er uit moest zien en op welke manier de ontwerpen tot stand moesten komen. Zo werd er gezocht naar een eerlijk ontwerp, waarbij de eigenschappen van de verschillende materialen gebruikt werden om tot functionele en rationele, maar toch éénvoudige ontwerpen te komen. Alle houtverbindingen werden sterk uitvergroot of met andere kleuren hout geaccentueerd en nagels en hang en sluitwerk was duidelijk zichtbaar.Niet functionele versieringen werden radicaal vermeden. Ook kregen bijvoorbeeld de stoelen rechtopstaande leuningen om de houding van de socialist aan te duiden. Dit was een duidelijke afzetting tegen de onnatuurlijke ontwerpen van de Art Nouveau, een puur esthetische en daarom perverse stijl, die vooral populair was bij de hogere klassen. Tot slot moesten de ontwerpen een nieuwe nationale stijl belichamen die zijn wortels had in het Hollandse verleden van nuchtere hardwerkende arbeiders.
Een ander socialistisch getint idee was dat de winkel een collectief van ontwerpers representeerde. Berlage’s connecties zorgden ervoor dat in het eerste jaar ontwerpen van gerenomeerde namen als Karel de Bazel, Mathieu Lauweriks, Willem Penaat, Chris Lebeau en Theo Nieuwenhuis te koop waren. Door onenigheid over de organisatie en de ontwerpen vertrokken deze echter al na het eerste jaar. De winkel bleek toch succesvol en verhuisde in 1907 naar een groter pand op de Raadhuisstraat, dat was ontworpen door JF Staal en A Kropholler.
Hoewel er een sterke socialistische drijfveer achter de opzet van de winkel stak en het concept uitvoerig was uitgedacht, bleek het in de praktijk niet helemaal zo te gaan zoals men had gehoopt. De klanten kwamen vanuit de rijkere kennissenkring van de initiatiefnemers. Waar men geen rekening mee had gehouden is dat de meubilairstukken alsnog te duur bleven om voor lagere klasses aantrekkelijk te worden en dat het grootste gedeelte van de klanten toch zelf de stukken liet ontwerpen. De expositie stelt echter dat het leveren aan arbeiders ook helemaal niet het belangrijkste doel was van 't Binnenhuis. Aan de ontwerpen te zien, die met houtsnij- en inlegwerk versieringen kregen en van dure houtsoorten gemaakt werden kan worden afgeleid dat de beoogde klanten zich in de hogere klasses bevonden. Ook het type meubilair, veel comfortabele banken, theetafeltjes en bijzondere lampen, waren niet bedoeld voor de arbeider die vaak een kleine ruimte behuisde. Het meubilair was bedoeld dan wel bedoeld voor socialisten, maar daarmee niet gelijk voor arbeiders.
In 1913 trad Berlage in vaste dienst van de familie Kröller-Müller op de Veluwe, waar hij begon aan het ontwerp van het Jachtslot St Hubertus, inclusief het volledige interieur. Dit betekende feitelijk dat hij stopte bij ’t Binnenhuis, dat nog tot 1929 bestond.
Expositie
De expositie is opgesteld door Yvonne Brentjens, die eerder publicaties uitbracht over kunst en kunstenaars uit de periode rond 1900, zoals de K.P.C. Bazel en G.W. Dijsselhof. Met de expositie probeert zij naast het tonen van enkele bijzondere stukken uit de winkel, vooral een beeld te schetsen van de klanten die bij ’t Binnenhuis kochten. Tijdens het onderzoek dat aan de tentoonstelling voorafging, heeft zij het klantenboek en de catalogus met werken naast elkaar gelegd om te kunnen achterhalen waar de klantenkring van ’t Binnenhuis uit bestond. Hieruit herleidde zij dat het overgrote deel van de klanten uit een nieuw gevormde socialistische, maatschappelijk begane elite kwam die zich sterk bezighield met politiek, maatschappij en kunst.
Tot slot wordt ook relatie gelegd met het moderne leven van de overgebleven meubilairstukken, die uiteindelijk voornamelijk bij erfgenamen van de oorspronkelijke klanten terecht zijn gekomen. Hier werden zijn gefotografeerd door Johannes Schwartz in hun huidige natuurlijke omgeving, hetgeen het tijdloze karakter van de ontwerpen goed tot zijn recht laat komen.
In verband met de tentoonstelling is ook een boek uitgegeven, dat veel dieper ingaat op veel van de uitgelichte klanten.
De tentoonstelling loopt nog tot 4 maart 2012 en is zeker de moeite waard.
Bronnen:
- Kunstkanaal
- Winkelstories.nl
- Brentjens, Y. 2011, Rechte Stoelen, rechtschapen burgers, wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929), Wbooks, Zwolle
Afbeeldingen
- Foto's tentoonstelling: SPQA Amsterdam
- Boek: wbooks.nl
Lees meer...
Labels:
't Binnenhuis,
Berlage,
Den Haag,
Gemeentemuseum,
Meubilair,
Recensie,
Tentoonstelling,
Van den Bosch
20 nov 2011
Tentoonstelling: Rechte stoelen, rechtschapen burgers
De meeste mensen kennen H.P. Berlage van de gebouwen die hij ontwierp, zoals de Beurs in Amsterdam. Maar Berlage was niet alleen architect, hij maakte ook veel ontwerpen voor meubilair. In 1900 opende hij samen met Jac. van den Bosch op het Rokin te Amsterdam ’t Binnenhuis, een van de eerste interieurwinkels.Het Gemeentemuseum in Den Haag besteedt in de tentoonstelling Rechte stoelen, rechtschapen burgers aandacht aan het meubilair van Berlage en Van den Bosch. In deze tentoonstelling staat met name de welvarende klantenkring centraal, waar onder andere Henri Polak, Floor Wibaut en de familie Fentener van Vlissingen deel van uitmaakte. Ook de broers Anton en Gerard Philips lieten hun villa’s in Eindhoven inrichten door Berlage en Van den Bosch en lieten hun eigen gloeilampen monteren in handgesmede armaturen van ’t Binnenhuis. De tentoonstelling laat zien wat deze klanten kochten en hoe de ontwerpen ook tegenwoordig nog in interieurs te vinden zijn.
Fotograaf Johannes Schwartz maakte voor deze tentoonstelling een serie foto’s van meubilair uit ’t Binnenhuis in hedendaagse interieurs. Deze foto’s vormen het uitgangspunt van de tentoonstelling. Schwartz wilde hiermee laten zien hoe de meubels ook tegenwoordig nog deel uitmaken van het interieur van de erfgenamen van de klanten van Berlage en Van den Bosch.
De tentoonstelling is nog te zien tot 4 maart 2012 in het Gemeentemuseum Den Haag.
Bron: gemeentemuseum.nl
Bekijk ook onze recensie van de tentoonstelling 't Binnenhuis.
Lees meer...
Labels:
't Binnenhuis,
Berlage,
Tentoonstelling,
Van den Bosch
Abonneren op:
Posts (Atom)











