We kennen allemaal het wapen van Amsterdam, rood, met zwarte verticale band en drie witte andreaskruizen. Het wapen is vanaf ongeveer 1280 in gebruik en fungeert al lange tijd als het beeldmerk voor de stad en alles en iedereen die met haar te maken heeft. Al vroeg heeft Amsterdam echter ook een ander symbool gedragen, waarmee zij zich identificeerde, haar bezit kenbaar maakte en bestuurlijke zaken bekrachtigde. Het oude stadszegel van de stad, met de afbeelding van een koggeschip, twee figuren en meestal vergezeld van een over de rand kijkend hondje. Het is al lang verdwenen als officieel beeldmerk op documenten en daarmee ook zo goed als uit het collectief geheugen. Toch kan men het nog dagelijks terugvinden. Zoekend in de stad, kan men het zegel op een aantal typische Amsterdamse gebouwen vinden. Het zegel van Amsterdam is een oud en bijzonder symbool dat en passant de oprichtingslegende van de stad vertelt.
Stadszegels
Het zegel wordt ook wel eens het oude stadswapen van Amsterdam genoemd, maar dit is niet juist. Een stadszegel had een andere functie dan het stadswapen. Een stadswapen was (en is vaak nog steeds) voor een stad het belangrijkste herkenningsteken. Het symboliseert de stad als plaats en haar inwoners. Van oorsprong is een stadswapen vergelijkbaar met een familiewapen. Het is een uiting van afkomst en veel stadswapens hebben dan ook een relatie met het wapen van de adel die over de stad heerste. Het stadswapen was daarom ook meestal opgebouwd uit heraldische kleuren, symbolen of afbeeldingen.
Een zegel was daarentegen een symbool van de stad als rechtspersoon en betekende voor een stad een bekrachtiging van haar handelen en van haar eigendom. Het werd vroeger dan ook door ambtenaren met een lakzegel gebruikt als een soort handtekening. Bijvoorbeeld als bevestiging van officiële aktes, brieven en andere documenten. Ook werd het afgebeeld op objecten die in eigendom van de stad waren.
In de meeste gevallen stelde de afbeelding op een stadszegel een object, gebeurtenis of persoon voor die met de stad verbonden was. Sommige steden gebruikten een afbeelding van een poort of burcht. Andere zegels tonen de belangrijkste kerk of de patroonheilige. Indien er een relatie bestond met het water, zoals met visserij of handel, werd er vaak gekozen voor een schip. Zo ook in Amsterdam, dat behoefte had aan een stadszegel nadat zij in 1275 stadsrechten had verworven.
Lakzegel van Amsterdam, Zegel van Zwolle, Zegel van Harderwijk, Zegel van Gouda
In de meest voorkomende variant van het stadszegel is een kogge te zien met een opgeschoten zeil. Dit type vrachtschip was toentertijd met zo’n 20 tot 30 meter lengte het grootste zeevarende schip in gebruik. Het had een verhoogd voor- en achtersteven welke waren bekroond met kantelen.
Op de kogge staan staan soms één, maar meestal twee figuren afgebeeld en een kleine hond. Één van de figuren houdt een zwaard en een wapenschild met vier leeuwen vast (het wapen van Henegouwen), de ander een banier van Amsterdam met de drie kruizen. Ook aan het achtersteven van het schip bevinden zich één (soms twee) banieren van Amsterdam en vanuit het kraaiennest hangt een banier naar beneden.
Het is niet met zekerheid te vertellen wie de figuren moeten voorstellen, maar er zijn verschillende theorieën. Volgens Le Cosquino De Bussy stelt de man met het Henegouwse schild wellicht de heraut van graaf Willem IV voor, of de graaf zelf, die aan Amsterdam het grote handvest van 1342 had gegeven. De figuur symboliseert hier het landsheerlijke gezag. De figuur met de banier, iets lager geplaatst, stelt een schutter voor als symbool van de stedelijke weerbaarheid. De hond krijgt in een andere beschrijving een allegorische verbeelding van trouw van zijn meester, de schutter, mee.
De legende
In de loop van de 17e eeuw is er bij de afbeelding op het zegel een bijzonder verhaal ontstaan, waarbij de verschillende afgebeelde figuren een rol kregen toebedeeld in een legende van de ontstaansgeschiedenis van de stad. Het ontstaan van het verhaal in deze periode moet worden gezien in lijn met een toenmalige neiging om de eigen afkomst te verheerlijken. Van het verhaal zijn verscheidene variaties terug te vinden, maar de meest spectaculaire hiervan gaat ongeveer als volgt:
Het verhaal van de kogge begint met het feit dat er in de 11e eeuw een conflict woedde tussen de graaf van Friesland en Keizer Hendrik IV. Het gevolg van het conflict was dat het grondgebied in 1088 werd overgedragen aan Koenraad, de bisschop van Utrecht, maar de stugge Friezen lieten zich niet zomaar overheersen en bestuurden liever zichzelf. Koenraad besloot daarom om verkleed als simpele reiziger zelf naar Friesland te varen om polshoogte te nemen, om te proberen meer over de Friezen te weten te komen en zo de Utrechtse heerschappij te vergemakkelijken.
De bisschop werd echter niet snel na zijn aankomst in Stavoren ontmaskerd als komende uit Utrecht en de woedende Friezen duwden hem terug het Flevomeer (tegenwoordig het Ijsselmeer) op in een oude kogge, maar niet voordat zij hem knevelden en het roer van het schip onklaar maakten. De Utrechtse geestelijke leek in het stuurloze schip een gewisse dood tegemoet te gaan, maar er was één Fries die, ontzet over het geweld, de hulpeloze vreemdeling probeerde te redden. Hij rende het water in en kwam nog net samen met zijn hond aan boord van het schip. De bisschop werd van zijn boeien ontdaan, maar het was te laat om nog met enige middelen land te bereiken. Stuurloos drijvend dwaalden ze het meer op en in de nacht zette een razende storm op. De golven werden steeds hoger en op een gegeven ogenblik sloeg de hond overboord. De Fries en de bisschop vreesden voor hun leven, zij sloegen een kruis en baden dat zij niet hetzelfde lot als dat van de hond zouden meemaken.
Niet veel later echter hoorden de twee mannen in de verte het zwakke, maar onmiskenbare geluid van een blaffende hond. Het was hun metgezel die op toevalligerwijze aan wal was gespoeld. Het was pikkedonker, maar de mannen beseften dat het nu of nooit was, zij sprongen het water in en lieten zich leiden door het blaffen van de hond. Zo bereikten zij uiteindelijk land en zij raakten de volgende ochtend in gesprek. De Fries, Wolfger gaf aan zich op deze nieuw ontdekte plek te willen vestigen. Hij wilde niet meer terug naar Stavoren uit onvrede over het onmenselijke gedrag van zijn plaatsgenoten en er leek zich voldoende vis te bevinden in het water om een nieuw bestaan op te bouwen. Als dank voor het redden van zijn leven zegende de bisschop de grond en voorspelde dat er op de plek een stad zou ontstaan die de machtigste van de wereld zou worden en dat de Fries daarvan de eerste schout zou worden. Wolfger begon kort hierop aan de bouw van wat later inderdaad het middelpunt van de wereld zou worden. De mast van de kogge werd in de grond gestoken op de plaats waar later de Oude Kerk zou worden opgericht. Van de resten van de kogge zou hij later de Dam in de Amstel bouwen. En zo was Amsterdam geboren.
In een uitgave van Ons Amsterdam uit 1975 wordt een andere, simpelere variant beschreven. Dit verhaal vertelt ook over een woeste storm op het Flevomeer, waar een klein scheepje stuurloos ronddobberde. Het laat de herkomst van de figuren aan boord echter achterwege, maar merkt hen aan als vissers en vertelt dat hun hond ziek van de deining en ellende was. Zijn baasje zou op het water hebben uitgeroepen dat als zij nog ooit leven aan wal zouden stappen, zij zich zouden vestigen op de plaats waar de hond zich te rusten zou leggen. Later zou het scheepje in de mondig van de Amstel in stillere wateren terecht zijn gekomen en vervolgens bouwde deze man het eerste huis van Amsterdam. De Stormsteeg zou de plek zijn waar de vissers aan wal zijn gegaan.
Zegel op kaart van Joan Blaeu, Voormalige windvaan op Westertoren, Beurs van Berlage
De op- en ondergang van het zegel
Het stadszegel heeft niet altijd de zojuist beschreven beeltenis gehad. Op het oudst bewaard gebleven zegel (uit 1317) is in de beeltenis slechts een schip in hoofdvorm te zien. Van de figuren ontbreekt nog elk spoor. In de mast hangt het wapen van de graaf van Holland (met een klimmende leeuw), die op dat moment over de stad heerste. Het zegel heeft een randschrift: ,,Sigillum opidi de Amestelredamme”. In de 14e en 15e eeuw ontstaan vervolgens meerdere zegels met elk een eigen functie. Ze zijn gedetailleerder, waardoor in de vorm van het schip een kogge kan worden herkend.
Het zegel met kogge is nog tot 1795 in gebruik gebleven, maar had al veel van haar betekenis verloren, omdat de bekrachtiging van aktes was overgenomen door de handtekening van de burgemeester. Vanaf 1803 is het zegel definitief vervangen voor een afbeelding met het gekroonde stadswapen en twee leeuwen. Vervolgens deden zich door bezuinigingen nieuwe veranderingen aan: Papieren en nog later gestempelde inktzegels namen het verzegelen over van de lakzegels. Het oude stadszegel verviel zo steeds verder tot een onofficieel siermerk dat slechts nog om nostalgische redenen werd gebruikt op bijvoorbeeld briefpapier. Tegenwoordig is de betekenis zelfs volledig uit het collectieve geheugen verdwenen, maar gelukkig kunnen we de geschiedenis van het zegel nog dagelijks in het openbaar terugvinden.
Oud en nieuw gebruik van zegels van Amsterdam
Het gebruik van het zegel op gebouwen
Al vroeg werd het stadszegel niet alleen op documenten, maar ook op gebouwen afgebeeld. Als gevelsteen, als windvaan of verwerkt in verschillende versieringen kan het vandaag de dag nog worden teruggevonden op een veelheid aan gebouwen in Amsterdam.
Hoewel men het ook op eerdere gebouwen kan vinden, was het in de 17e eeuw gemeengoed om Amsterdamse gebouwen uit te rusten met een stadswapen en/ of –zegel. Gebouwen in bezit van de stad werden zo met de tekens gemerkt om het eigendom te tonen. Voorbeelden hiervan zijn het Stadhuis op de Dam, het Accijnshuis (belastingen), stadspoorten en de tehuizen. Bijvoorbeeld het Oudezijds en Nieuwezijds Huiszittenhuis.
Windvaan Paleis op de Dam, Accijnshuis, Oudezijds Huiszittenhuis, Nieuwezijds Huiszittenhuis
In tijd parallel aan het verdwijnen van het stadszegel bij documenten zien we ook een afname van het gebruik van het zegel op gebouwen. Vanaf 1800 werd er minder gebouwd en werden nauwelijks gebouwen opgeleverd waar het zegel nog op pronkte. Vanaf 1880 zien we echter weer een opleving in het gebruik van het zegel, tegelijkertijd met het steeds uitbundiger ontwerpen van gebouwen. Het plaatsen van versieringen zoals teksten, wapens, jaartallen en allegorische verbeeldingen die een relatie tonen met het gebouw nam een grote vlucht toen architecten zochten naar symboliek die een expressie zou vormen van de functie van het gebouw. Het was de tijd waarin men met de gedachte van het gesamtkunstwerk een uitgebreid decoratief programma op het gebouw losliet. In deze periode werd het zegel opnieuw regelmatig gebruikt op gebouwen die in eigendom waren van de stad, zoals scholen (bijvoorbeeld de Letter U School aan de Tweede Oosterparkstraat, de HBS aan het Raamplein en het Barlaeus aan de Weteringschanse). Ook het Rijksmuseum heeft een bekroning gekregen met het zegel in de vorm van een windvaan bovenop één van de torens.
Letter U school Twede Oosterparkstraat HBS Raamplein, Barlaeus Weteringschans
Ook na 1900 blijft het gebruikelijk om het zegel te plaatsen. De oude stadsdrukkerij uit 1915 en het nieuwe stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal uit 1926 hebben beide een zegel gekregen. Ook een belangrijk gebouw als de Beurs van Berlage (1903) kreeg natuurlijk een zegel. Wanneer men op het Beursplein staat kan men het vinden op de gevel van zowel de Beurs van Berlage als ook op de Effectenbeurs ernaast. Bij deze laatste is het te vinden in het timpaan bovenin.
Stadsdrukkerij, Voormalig Stadhuis, Effectenbeurs
Ook gebeurde het in die tijd dat (particuliere) instanties of eigenaren van een gebouw hun relatie met de stad duidelijk wilden maken. Zo kan het worden gevonden in de gevel van het kantoor van het Algemeen Handelsblad aan de Nieuwezijds Voorburgwal, maar ook in het glas in lood van het Victoriahotel. Voor het beste zicht hier op is het aan te raden om eens naar binnen te stappen bij het geldwisselkantoor op de hoek met de Prins Hendrikkade. De opleving van het gebruik van het zegel duurde tot ongeveer 1930, wanneer we zien dat versieringen ook in het algemeen weer steeds minder worden toegepast.
Victoriahotel, Scheepvaarthuis, Algemeen Handelsblad
Twee laatkomers zijn beide van stadsbeeldhouwer Hildo Krop: Het hoofdkantoor van de politie aan de Marnixstraat uit 1940 heeft een zegel in de beeldengroep aan de gevel. De naar ons weten laatste toepassing van het zegel kan men vinden op het gebouw van de bibliotheek van de UvA aan het Singel bij het Koningplein. Dit gebouw is opgeleverd in 1960. Het zegel is hier aan de gevel verwerkt als beeldhouwwerk van Hildo Krop.
Vleeshal, Hoofdkantoor politie Marnixstraat, Bibliotheek UvA
Bronnen
- Alberdingk Thijm, J.A. (1866), Het wapen der stad Amsterdam. Eene studie op hare oudste geschiedenis, in: De Gids, 30, p390-423
- Answaarden, R. Van, (1992), Der stede zeghelen opnieuw bezien, in: Jaarboek Amstelodanum, 84 (1992), 1, 11-20
- Emeis, M.G., (1975), Amsterdam in en om 1275: een Floris-sant wiegekind, in: Ons Amsterdam, 27 (1975), 2, 34-38
- Koord, C.,(1981), Oude Amsterdamse Volksverhalen, De Lijster, Amsterdam
- Le Cosquino De Bussy, A. (1949), Het Amsterdamse "Koggeschip" in: Ons Amsterdam, 1 (1949), 1, 3-4
- Laan, P.H.J. Van der, (1993), De stadszegels van Amsterdam in de vijftiende en zestiende eeuw: Het secreetzegel en het zegel ten zaken, in: Jaarboek Amstelodanum, 85 (1993), 1, 11-18
- Melker, B.R. De (1993), Stad en zegel: de oudste stadszegels van Amsterdam, in: Jaarboek Amstelodanum, 85 (1993), 1, 19-48.
- Oldewelt, W.F.H., (1936), De stadszegels van Amsterdam, in: Jaarboek Amstelodanum, 33 (1936), 1, 17-30
- Lennep, J. Van & J. ter Gouw, (1868), De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd (2 delen). Gebroeders Kraay, Amsterdam
Foto’s: SPQA, behalve:
- Lakzegel Amsterdam: Amsterdam Museum
- Zegel Zwolle: wikipedia
- Zegel Harderwijk: De Gids, 1918
- Zegel Gouda: wikipedia
- Stadszegel op kaart van Jan Blaeu: wikipedia
- Windvaan Westertoren, NAi
- Stadszegels: wikipedia
Lees meer...
Posts tonen met het label Beurs van Berlage. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Beurs van Berlage. Alle posts tonen
18 jun 2015
Het zegel van Amsterdam
Labels:
Amsterdam,
Beeldhouwwerk,
Beurs van Berlage,
Hildo Krop,
Item,
Koninklijk paleis,
Pierre Cuypers,
Raadhuis/The Grand,
Rijksmuseum,
Stadszegel
31 jul 2014
SPQA Amsterdam in de Beurs van Berlage
Online blijft weblog SPQA vooralsnog op dezelfde plek, maar sinds kort worden de activiteiten van het blog verricht vanuit een nieuwe bijzondere locatie. Samen met andere ondernemers in de erfgoed- en architectuursector wordt kantoorruimte gehuurd in de Beurs van Berlage aan de Oudebrugsteeg. Een logische plek om neer te strijken. Niet alleen is de Beurs gebouwd in het tijdperk waar wij ons in interesseren, maar ook omdat Berlage in 1903 al onze naam op de gevel heeft aangebracht. Alsof hij wist dat wij 111 jaar later in zijn tempel van de handel zouden trekken, heeft hij aan de zijde van het Beursplein op de kolommen tussen de voordeuren de letters SPQA later aanbrengen.
Onze ruimte bevindt zich aan de andere zijde, aan het water. Deze zijde is veel minder bekend en bestaat uit verschillende ruimtes, waaronder enkele met bijzondere monumentale interieurs. Wij zijn de oorspronkelijke functie van deze ruimtes nagegaan.
Gesamtkunstwerk
Het belangrijkste doel van de nieuwe beurs was om de drie verschillende handelsbeurzen en aanverwante organisaties in Amsterdam samen te voegen in een nieuw modern gebouw. De voorloper, de Beurs van Zocher was te klein geworden en bovendien waren de graan- en effectenbeurs elders gevestigd. De nieuwe koopmansbeurs zou gaan bestaan uit drie grote hallen, met de twee voornoemde beurzen aan de zijde richting het Centraal Station en de goederenbeurs aan de zijde van de huidige Bijenkorf.
De Beurs is gebouwd tussen 1898 en 1903. Hoewel het gebouw wordt gezien als het eerste Nederlandse moderne gebouw en wordt het geprezen omdat decoraties er tot een noodzakelijk minimum werden gebracht, is het in onze moderne ogen nog steeds rijk versierd. De versieringen zijn echter veel subtieler en beter geïntegreerd met de constructie dan bij eerdere gebouwen. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de wereld van verschil met het er tegenover liggende Centraal Station dat slechts een ruim decennium eerder werd gebouwd (1889). Voor de totstandkoming van het programma van de Beurs gebruikte Berlage echter een unieke procedure, waarbij het principe van het gesamtkunstwerk tot het uiterste werd gedreven. Eerst liet hij dichter Albert Verweij aan de hand van twee thema’s voor de belangrijkste ruimtes en gebouwdelen kwatrijnen opstellen. De thema’s waren de handelsgeschiedenis en positie van Amsterdam en een toekomstige klasseloze utopische samenleving. Verweij verweefde met behulp van de dichtregels de functie van de ruimtes met een socialistische visie. Dit deed hij op zo een manier dat de kwatrijnen hierna konden worden gebruikt door verschillende ontwerpers en kunstenaars voor de verdere invulling van de decoraties. Naast Berlage (lampen, meubilair en hang- en sluitwerk) werden Lambertus Zijl (beeldhouwwerk), Jan Toorop, (tegeltableaus), Richard Roland Holst (muurschilderingen), Antoon Derkinderen (glas in lood) en Joseph Mendes da Costa (inrichting interieurs en meubilair) aangetrokken voor de verdere invulling van het gebouw.
Het totaalkunstwerk in haar verschillende verschijningsonderdelen: werk van Mendes da Costa, Derkinderen, Zijl en Toorop.
Multifunctioneel
De Beurs van Berlage was in eerste instantie natuurlijk een gebouw voor de handel. Wie echter denkt dat deze slechts uit de drie beurzen bestond, heeft het mis. De Beurs huisde vanaf de oplevering al verschillende nevenfuncties. Zo was ook de Amsterdamse Kamer van Koophandel in het gebouw gevestigd, aan het Beursplein, boven de goederenbeurs. Ook was er een postkantoor (aan de Beursstraat tussen de beurszalen in), een telefoonschakelstation, een politiebureau en verschillende vergaderzalen. Verder bevonden zich ook enkele aan de scheepvaart gerelateerde activiteiten in het gebouw. Zo was er de Schippersbeurs en het naastgelegen Schipperscafé op de hoek van de Oudebrugsteeg bij het Damrak. Én de Raad voor de Scheepvaart, waarover hierna meer.
De verzen in het Schipperscafé, hier samengesteld in één afbeelding, waren duidelijk minder serieus, klik voor groter.
Raadzaal van de effectenhandelaren
SPQA heeft zijn intrek genomen in de kantoren die voorheen bij de effectenbeurs hoorden.
Veel van de decoraties in dit deel verwijzen naar deze oorspronkelijke functie. De meest indrukwekkende ruimte is de Raadzaal van de Vereniging voor de Effectenhandelaren op de eerste verdieping. De kwatrijnen die Albert Verweij hier voor opstelde staan op de muren geschilderd. Binnen het thema nam hij naast een erkenning van geld als ruilmiddel van het volk ook duidelijk een waarschuwing op voor de gevaren die geld met zich meebrengt.
De verdere indeling en meubilair in de ruimte is ontworpen door Berlage, waarbij Joseph Mendes da Costa zorg droeg voor de symbolische beeltenissen. Zo bevindt zich boven de marmeren schouw een bronzen reliëf met vier figuren die de geldhandel voorstellen. De Handel en Rijkdom geven elkaar de hand boven grote gevulde geldzakken. Naast de Handel staat de Waarheid, naast de Rijkdom de Deugd. De goudenregenbomen verwijzen naar de positieve kant van de handel. Da Costa verwoordde zijn werk als volgt:
Aan een kast in de zelfde ruimte is houtsnijwerk opgenomen. Twee geknielde figuren die met beide handen geldstukken naar zich toe schuiven stellen de Geldzucht voor. Bovenop de kast waarschuwen vier kleinere figuren met kaartspel en roulettewiel voor de gelijkenis van de geldhandel met gokken. Verder komt op de muren veelvuldig een decoratie voor. Dit is het logo van de Vereniging voor de Effectenhandelaren. De letters VvdE worden bekroond door kleine gouden munten. Het logo wordt herhaald in het houtsnijwerk van de voorzitterstoel.
Al in 1912, negen jaar na oplevering, vertrokken de effectenhandelaren al naar het nieuwe gebouw aan Beursplein 5, waar de effectenbeurs nu nog steeds gevestigd is. Niet alleen was de ruimte in de Beurs voor hen te klein geworden door de opbloeiende economie, ook doet het verhaal de ronde dat de kapitalistische handelaren zich niet op hun gemak voelden in Berlage’s ruimtes met socialistische ondertonen. Hoewel de versieringen waarschuwend bedoeld waren, is het begrijpelijk dat de handelaren het als verwijt lazen.
Na het vertrek van de effectenhandelaren zijn de vrijgekomen ruimten in 1914 in gebruik genomen door de Raad voor de Scheepvaart. Dit was een rechtsprekend college dat onderzoek deed naar scheepsrampen en andere ongeregeldheden op schepen varend onder de Nederlandse vlag. Zij kon tuchtrechterlijke maatregelen uit spreken jegens de betrokken officier. Deze raad heeft nog tot 2010 bestaan, waarna deze is opgeheven. Vanaf dat moment hebben verschillende bedrijven en organisaties van de noord-oostvleugel gebruik gemaakt, totdat MeetBerlage de kans zag om hier een bedrijfsverzamelgebouw van te maken. Als zodanig heeft SPQA ruimte in het gebouw kunnen betrekken.
Palazzo Pubblico
In moderne publicaties wordt regelmatig gesproken over een Palazzo Pubblico wanneer men het over de Beurs heeft. Deze term slaat op een bewering die Berlage zou hebben gedaan tijdens de bouw, waarbij hij zijn toekomstige visie op het gebouw blootgaf. Hij voorzag dat de toenmalige functie van handelstempel waar hij het ontwerp voor maakte in de toekomst niet meer zou bestaan. In een utopische toekomst zou het gebouw kunnen worden herbestemd tot een volkspaleis waar verschillende functies die de mensen dienen in zouden trekken. Met deze gedachte zou hij het gebouw vanaf het begin al hebben ontworpen. Deels is deze voorspelling uitgekomen. De socialistische maatschappij zonder geld of handel is er niet van gekomen, maar de Beurs als multifunctioneel gebouw wel.
Bronnen:
- Bock, M (1995), De inrichting van de Beurs van Berlage - Geschiedenis en behoud. (Waanders, Zwolle)
- Bock, M (2003), De Beurs, een palazzo pubblico gevonden op: ArchiNed
- Polano, S (1988), Hendrik Petrus Berlage, Het complete werk (ICOB/Atrium)
- Singelenberg, P (1975), H.P.Berlage 1856-1934. Een bouwmeester en zijn tijd. (Bussum)
Foto's: SPQA Amsterdam
Zie ook ons eerdere artikel over Berlage
Lees meer...
Onze ruimte bevindt zich aan de andere zijde, aan het water. Deze zijde is veel minder bekend en bestaat uit verschillende ruimtes, waaronder enkele met bijzondere monumentale interieurs. Wij zijn de oorspronkelijke functie van deze ruimtes nagegaan.
Gesamtkunstwerk
Het belangrijkste doel van de nieuwe beurs was om de drie verschillende handelsbeurzen en aanverwante organisaties in Amsterdam samen te voegen in een nieuw modern gebouw. De voorloper, de Beurs van Zocher was te klein geworden en bovendien waren de graan- en effectenbeurs elders gevestigd. De nieuwe koopmansbeurs zou gaan bestaan uit drie grote hallen, met de twee voornoemde beurzen aan de zijde richting het Centraal Station en de goederenbeurs aan de zijde van de huidige Bijenkorf.
De Beurs is gebouwd tussen 1898 en 1903. Hoewel het gebouw wordt gezien als het eerste Nederlandse moderne gebouw en wordt het geprezen omdat decoraties er tot een noodzakelijk minimum werden gebracht, is het in onze moderne ogen nog steeds rijk versierd. De versieringen zijn echter veel subtieler en beter geïntegreerd met de constructie dan bij eerdere gebouwen. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de wereld van verschil met het er tegenover liggende Centraal Station dat slechts een ruim decennium eerder werd gebouwd (1889). Voor de totstandkoming van het programma van de Beurs gebruikte Berlage echter een unieke procedure, waarbij het principe van het gesamtkunstwerk tot het uiterste werd gedreven. Eerst liet hij dichter Albert Verweij aan de hand van twee thema’s voor de belangrijkste ruimtes en gebouwdelen kwatrijnen opstellen. De thema’s waren de handelsgeschiedenis en positie van Amsterdam en een toekomstige klasseloze utopische samenleving. Verweij verweefde met behulp van de dichtregels de functie van de ruimtes met een socialistische visie. Dit deed hij op zo een manier dat de kwatrijnen hierna konden worden gebruikt door verschillende ontwerpers en kunstenaars voor de verdere invulling van de decoraties. Naast Berlage (lampen, meubilair en hang- en sluitwerk) werden Lambertus Zijl (beeldhouwwerk), Jan Toorop, (tegeltableaus), Richard Roland Holst (muurschilderingen), Antoon Derkinderen (glas in lood) en Joseph Mendes da Costa (inrichting interieurs en meubilair) aangetrokken voor de verdere invulling van het gebouw.
Het totaalkunstwerk in haar verschillende verschijningsonderdelen: werk van Mendes da Costa, Derkinderen, Zijl en Toorop.
Multifunctioneel
De Beurs van Berlage was in eerste instantie natuurlijk een gebouw voor de handel. Wie echter denkt dat deze slechts uit de drie beurzen bestond, heeft het mis. De Beurs huisde vanaf de oplevering al verschillende nevenfuncties. Zo was ook de Amsterdamse Kamer van Koophandel in het gebouw gevestigd, aan het Beursplein, boven de goederenbeurs. Ook was er een postkantoor (aan de Beursstraat tussen de beurszalen in), een telefoonschakelstation, een politiebureau en verschillende vergaderzalen. Verder bevonden zich ook enkele aan de scheepvaart gerelateerde activiteiten in het gebouw. Zo was er de Schippersbeurs en het naastgelegen Schipperscafé op de hoek van de Oudebrugsteeg bij het Damrak. Én de Raad voor de Scheepvaart, waarover hierna meer.
De verzen in het Schipperscafé, hier samengesteld in één afbeelding, waren duidelijk minder serieus, klik voor groter.
Raadzaal van de effectenhandelaren
SPQA heeft zijn intrek genomen in de kantoren die voorheen bij de effectenbeurs hoorden.
Veel van de decoraties in dit deel verwijzen naar deze oorspronkelijke functie. De meest indrukwekkende ruimte is de Raadzaal van de Vereniging voor de Effectenhandelaren op de eerste verdieping. De kwatrijnen die Albert Verweij hier voor opstelde staan op de muren geschilderd. Binnen het thema nam hij naast een erkenning van geld als ruilmiddel van het volk ook duidelijk een waarschuwing op voor de gevaren die geld met zich meebrengt.
'Gewicht en maat wier norm een volk bewaart,
Slytloos metaal in dicht foedraal gesloten,
Zy 't zuivre brein : zijn zuivre koers verklaart
Wat roerselskoers verkleinen of vergrooten.’
‘Waar, die alle andre meet, het geld, en blaren
Wier waar, almaar 't vertrouwen, daalt en ryst,
Schat die 't gerucht én ’t werklyk schatbre pryst,
Symbool, soms vol, soms leeg, steeds vol gevaren.'
De verdere indeling en meubilair in de ruimte is ontworpen door Berlage, waarbij Joseph Mendes da Costa zorg droeg voor de symbolische beeltenissen. Zo bevindt zich boven de marmeren schouw een bronzen reliëf met vier figuren die de geldhandel voorstellen. De Handel en Rijkdom geven elkaar de hand boven grote gevulde geldzakken. Naast de Handel staat de Waarheid, naast de Rijkdom de Deugd. De goudenregenbomen verwijzen naar de positieve kant van de handel. Da Costa verwoordde zijn werk als volgt:
‘De rijkdom is vergezeld van de deugd, de handel van de waarheid
De geldzakken duiden het geld als handelswaar
De goudenregenboompjes duiden op de gevolgen van de gehele handeling’
Aan een kast in de zelfde ruimte is houtsnijwerk opgenomen. Twee geknielde figuren die met beide handen geldstukken naar zich toe schuiven stellen de Geldzucht voor. Bovenop de kast waarschuwen vier kleinere figuren met kaartspel en roulettewiel voor de gelijkenis van de geldhandel met gokken. Verder komt op de muren veelvuldig een decoratie voor. Dit is het logo van de Vereniging voor de Effectenhandelaren. De letters VvdE worden bekroond door kleine gouden munten. Het logo wordt herhaald in het houtsnijwerk van de voorzitterstoel.
Al in 1912, negen jaar na oplevering, vertrokken de effectenhandelaren al naar het nieuwe gebouw aan Beursplein 5, waar de effectenbeurs nu nog steeds gevestigd is. Niet alleen was de ruimte in de Beurs voor hen te klein geworden door de opbloeiende economie, ook doet het verhaal de ronde dat de kapitalistische handelaren zich niet op hun gemak voelden in Berlage’s ruimtes met socialistische ondertonen. Hoewel de versieringen waarschuwend bedoeld waren, is het begrijpelijk dat de handelaren het als verwijt lazen.
Na het vertrek van de effectenhandelaren zijn de vrijgekomen ruimten in 1914 in gebruik genomen door de Raad voor de Scheepvaart. Dit was een rechtsprekend college dat onderzoek deed naar scheepsrampen en andere ongeregeldheden op schepen varend onder de Nederlandse vlag. Zij kon tuchtrechterlijke maatregelen uit spreken jegens de betrokken officier. Deze raad heeft nog tot 2010 bestaan, waarna deze is opgeheven. Vanaf dat moment hebben verschillende bedrijven en organisaties van de noord-oostvleugel gebruik gemaakt, totdat MeetBerlage de kans zag om hier een bedrijfsverzamelgebouw van te maken. Als zodanig heeft SPQA ruimte in het gebouw kunnen betrekken.
Palazzo Pubblico
In moderne publicaties wordt regelmatig gesproken over een Palazzo Pubblico wanneer men het over de Beurs heeft. Deze term slaat op een bewering die Berlage zou hebben gedaan tijdens de bouw, waarbij hij zijn toekomstige visie op het gebouw blootgaf. Hij voorzag dat de toenmalige functie van handelstempel waar hij het ontwerp voor maakte in de toekomst niet meer zou bestaan. In een utopische toekomst zou het gebouw kunnen worden herbestemd tot een volkspaleis waar verschillende functies die de mensen dienen in zouden trekken. Met deze gedachte zou hij het gebouw vanaf het begin al hebben ontworpen. Deels is deze voorspelling uitgekomen. De socialistische maatschappij zonder geld of handel is er niet van gekomen, maar de Beurs als multifunctioneel gebouw wel.
Bronnen:
- Bock, M (1995), De inrichting van de Beurs van Berlage - Geschiedenis en behoud. (Waanders, Zwolle)
- Bock, M (2003), De Beurs, een palazzo pubblico gevonden op: ArchiNed
- Polano, S (1988), Hendrik Petrus Berlage, Het complete werk (ICOB/Atrium)
- Singelenberg, P (1975), H.P.Berlage 1856-1934. Een bouwmeester en zijn tijd. (Bussum)
Foto's: SPQA Amsterdam
Zie ook ons eerdere artikel over Berlage
Lees meer...
Labels:
A. Verweij,
Amsterdam Centrum,
Antoon Derkinderen,
Berlage,
Beurs van Berlage,
Jan Toorop,
Joseph Mendes da Costa,
L Zijl,
Richard Roland Holst,
SPQA-Am
21 feb 2012
Hendrik Petrus Berlage
Het is vandaag 156 jaar geleden dat Hendrik Petrus Berlage, een van Nederlands meest bekende architecten geboren werd aan de Keizersgracht in Amsterdam. Een mooie aanleiding voor ons om een stuk aan hem te wijden. Berlage wordt gezien als een van de bekendste en invloedrijkste architecten van Nederland. Een van zijn belangrijkste en beroemdste gebouw is wel de Beurs van Berlage in Amsterdam maar hij ontwierp veel meer dan dat.
Berlage hield zich namelijk niet alleen bezig met het ontwerpen van gebouwen. Hij was ook verantwoordelijk voor interieurontwerpen waarbij hij ook veel meubilair heeft ontworpen. Daarnaast was hij ook een van de oprichters van ’t Binnenhuis, een verkooplokaal voor kunstnijverheid aan het Amsterdamse Rokin. Maar naast het ontwerpen van interieurs had Berlage ook een grote interesse in stadplanning wat zich uitte in Plan Zuid in Amsterdam. Berlage was een zeer veelzijdig architect en ontwerpen en het is dan ook niet mogelijk dat alles te bespreken in een artikel. In dit artikel zal aandacht worden besteed aan de loop van zijn carrière en enkele beroemde gebouwen.
In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.
Hendrik Petrus Berlage
Berlage werd geboren aan de Amsterdamse Keizersgracht op 21 februari 1856. Zijn kinderjaren bracht hij door in Amsterdam waarna het gezin verhuisde naar Arnhem waar hij naar het HBS ging. Hij was zeer geïnteresseerd in architectuur en volgde een opleiding aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Tijdens zijn opleiding in Zürich werd hij beïnvloed door de architecten Gottfried Semper en Eugène Viollet-le-Duc. Deze invloed is voornamelijk terug te zien in zijn vroegere en meer klassieke ontwerpen. Na het afronden van zijn opleiding maakte hij een ‘Grand Tour’ door Duitsland en Italië. De reisherinneringen van Berlage werden in 2009 uitgegeven onder de titel Italiaanse reisherinneringen die werden ingeleid door Herman Bergeijk.
Na zijn ‘Grand Tour’ vestigde Berlage zich in Amsterdam waar hij in 1881 een samenwerkingsverband aanging met Theodor Sanders, die was opgeleid tot ingenieur. Sanders was op dat moment bezig met de constructie van het Nederlands Panopticum in de Amstelstraat. De samenwerking tussen Sanders en Berlage zorgde er voor dat de carrière van Berlage goed op gang kwam. Sanders zat bijvoorbeeld ook in de NV Maatschappij voor Koffiehuizen, een organisatie die vanaf 1879 koffiehuizen bouwden voor arbeiders. Samen met Sanders ontwierp Berlage in 1883-1884 koffiehuis De Hoop aan de De Ruyterkade in Amsterdam. Het was hun eerste gezamenlijke project. Het gebouw is in 1920 gesloopt op ruimte te maken voor een uitbouw van het Centraal Station, maar doet denken aan een ander gebouw van Berlage in Amsterdam. Berlage ontwierp op de Kalverstraat 152, op de hoek met het Spui, een winkelgebouw met kantoren voor de firma Focke&Meltzer. Tegenwoordig bevind zich in het gebouw de boekhandel Waterstone’s. Beide gebouwen vertonen duidelijke Renaissance invloeden wat goed te zien is in het gebruik van pilasters met Corinthische kapitelen. Berlage ontwierp in die periode dus duidelijk in een historiserende stijl die aan het eind van de negentiende eeuw zeer populair was.
Door een depressie in het midden van de jaren 1880 begon er een slechte periode voor Berlage en Sanders waarin ze maar weinig opdrachten kregen. In 1889 sloten zij dan ook hun bureau en ging Berlage verder als een freelance architect.
Een van zijn klanten bleef hem trouw, namelijk De Erven Lucas Bols, die Berlage tussen 1887 en 1895 meerdere opdrachten gaf om de interieurs van drinklokalen in verschillende Europese steden te ontwerpen. Daarnaast gaf Berlage vanaf 1887 les op de Quellijnschool een school voor kunst en nijverheid die in 1879 was opgericht door P.J.H. Cuypers. In 1887 trouwde Berlage met Marie Bienfait waardoor hij in aanraking komt met de dichter Albert Verwey en dichter en psycholoog Frederik van Eeden. Daarnaast ging hij zich ook meer met politiek bezighouden en kwam hij via de Breero Club, een genootschap van intellectuelen, politici en kunstenaars met radicale ideeën, in contact met E.D. Pijzel, P.L. Tak en de radicaal M.W.F. Treub. Voor velen van hen ontwierp Berlage villa’s, waaronder een voor Frederik van Eeden in Bussum en voor Pijzel aan de Van Baerlestraat. Via deze personen kwam hij ook in contact met Henri Polak, voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), wat uiteindelijk zou leiden tot de opdracht voor het hoofdgebouw van de ANDB tussen 1898 en 1900 aan de Henri Polaklaan (voorheen Plantage Franschelaan) in Amsterdam.
Gebouw De Algemeene en Gebouw De Nederlanden van 1845
Als freelance architect deed Berlage vaak mee aan prijsvragen waardoor veel van zijn ontwerpen nooit gerealiseerd zijn. Twee bekende gebouwen die hij in die periode ontwierp zijn het gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Algemeene, tussen 1892 en 1894 en een uitbreiding in 1901-1905, en een gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845 tussen 1894 en 1895 en een verbouwing en uitbreiding in 1910 en 1911.
In deze gebouwen, de eerste op het Damrak, de ander op het Muntplein, is al meer te zien van de rationalistische stijl waarmee Berlage zo bekend geworden is. Hij laat bij deze gebouwen duidelijk de neostijlen van de late negentiende eeuw achter zich. Het rationalisme gaat uit van het principe dat alle architectonische problemen rationeel zijn op te lossen. Daarmee is zij heel anders dan bijvoorbeeld de Art Nouveau waarbij men een veel meer gevoelsmatige aanpak had. Het gebouw voor De Algemeene kan dan ook als belangrijk worden beschouwt voor zijn verdere loopbaan als architect. Hij werd om dit gebouw geprezen door andere architecten. Het gebouw was wel modern maar had nog steeds herkenbare elementen. Maar nog vernieuwender was het gebouw voor De Nederlanden van 1845 op het Muntplein. Daar waar het gebouw voor De Algemeene nog enkele neogotische kenmerken had, zijn die bij het gebouw voor De Nederlanden niet meer te zien. Het is al een stuk strakker en soberder en vormt daarmee een mooie opmaat naar de bekende Beurs van Berlage.
De Beurs van Berlage
De Beurs wordt door de meeste mensen gezien als het hoogtepunt van de carrière van Berlage. Al vanaf 1873 werden er plannen gemaakt om het toenmalige beursgebouw, de Beurs van Zocher aan te passen. Adriaan Willem Weissman, gemeentearchitect, had de opdracht gekregen daar een ontwerp voor te maken. In 1895 trad echter Treub aan als directeur van de Dienst Publieke Werken en hij vond het ontwerp van Weissman niet goed. Treub gaf in 1896 de opdracht aan Berlage. Hij ontwierp, met steun van Treub, echter niet een uitbreiding voor de Beurs van Zocher maar een geheel nieuw beursgebouw. De plannen werden pas in maart 1898 door de gemeente gepubliceerd en op dat moment waren die in een zo ver gevorderd stadium dat tegenstanders geen bezwaar meer konden maken. In mei van datzelfde jaar werd er begonnen met de bouw. Op 27 mei 1903 werd het gebouw geopend.
Berlage wordt beschouwt al rationalist, wat inhoudt dat bijvoorbeeld architectonische problemen rationeel zijn op te lossen, en niet gevoelsmatig zoals bijvoorbeeld bij de Art Nouveau. Bij de Beurs heeft Berlage er bijvoorbeeld voor gezorgd dat vormen en ornamenten nauw aansloten bij de constructie van het gebouw. Maar er zijn in dit gebouw ook neoromaanse kenmerken te vinden en het gebouw met zijn toren doet ook sterk denken aan Romaanse kerken uit Noord-Italië. Daarnaast wordt het gebouw tegenwoordig ook gezien als de voorloper van de Amsterdamse School stijl en het Nieuwe Bouwen. Opvallend is dat aan de buitenkant van het gebouw nauwelijks te zien is dat het om een beursgebouw gaat. Het staat slechts in kleine letters aangegeven op de gevel aan de kant van het Beursplein. Het gebouw vormt een duidelijke eenheid maar heeft wel aan alle zijde een andere façade. De façade aan het Beursplein is zeer monumentaal en heeft veel weg van een kerk met de bogen boven de ingangen en de toren. De toren staat mooi in het verlengde van het Damrak dat het Centraal Station verbindt met de Dam. De façade verwijst ook naar het oude stadhuis van Amsterdam dat in de zeventiende eeuw werd vervangen door dat van Van Campen wat tegenwoordig het Paleis op de Dam is. De damrak zijde heeft echter een heel ander uiterlijk. Het silhouet verwijst naar het Centraal Station van P.J.H. Cuypers. De façade is echter geheel plat, slechts onderbroken door de ramen. Het voormaat van de erkers is ontleend aan dat van de gebouwen aan de overkant van de straat. Ook de noordkant van het gebouw dat gericht is naar het Centraal Station en aan het water lag heeft juist weer een heel open façade. Het gebouw is aan versierd met verschillende beeldhouwwerken en sluistenen die zijn gemaakt door Lambertus Zijl.
Het gebouw bood aan meer functies onderdak dan alleen een effectenbeurs. Er waren drie grote zalen die langs de lengteas gerangschikt zijn. Er was ruimte voor een effectenbeurs, een goederenbeurs en een graanbeurs. Er was ook een informatiekantoor, een ruimte voor de PTT, een kleine schippersbeurs en een koffiehuis. Het was echter niet alleen functioneel ingericht maar ook prachtig gedecoreerd. Het gebouw is wat we noemen een ‘Gesamtkunstwerk’ waarbij in- en exterieur één geheel vormen en waarbij meerdere kunstenaars samenwerken. Berlage ontwierp wel het gebouw maar liet het iconografische programma over aan Albert Verwey en is gebaseerd op twee thema’s: Amsterdam als belangrijke handelsstad en de klasseloze samenleving waarin geld geen rol speelt. Verwey maakte zelf verzen die werden uitgehakt in steen en op verschillende plaatsen in het gebouw zijn terug te vinden. Andere kunstenaars die aan het gebouw meewerkten waren Jan Toorop die tegeltableaus met daarop het verleden, heden en de toekomst ontwierp. Richard Roland Holst maakte een muurschildering met daarop ‘Industrie & Handel’ en Joseph Mendes da Costa was verantwoordelijk voor de decoratie van de vergaderzalen. Een van de mooiste zalen van het gebouw is de zaal van de Kamer van Koophandel, nu de Berlage zaal. Antoon Derkinderen ontwierp voor deze zaal, maar ook voor elders in het gebouw, gebrandschilderde ramen en maakte wandschilderingen. Deze wandschilderingen zijn tegenwoordig niet meer te zien omdat de zaal al in 1909 aangepast moest worden wegens de slechte akoestiek. De muren werden bekleed met lambrisering waardoor er niets meer van de wandschilderingen te zien is. Berlage was naast het ontwerp ook verantwoordelijk voor de inrichting van het gebouw. Hij ontwierp onder meer de lampen, hang- en sluitwerk, meubilair en hekken voor het gebouw en maakte daarmee het ontwerp compleet.
Literatuur:
- Berlage, Hendrik Petrus, Thoughts on style, 1886-1906 (Santa Monica 1996).
- Bock, Manfred, De inrichting van de Beurs van Berlage: geschiedenis en behoud (Zwolle 1996).
- Brentjens, Yvonne, H.P. Berlage (Zwolle 2010).
- Kloos, Maarten e.a. eds., Berlage in Amsterdam (Amsterdam 1992).
- Kramer, Walter, De Beurs van Berlage: historie en herstel (Zwolle 2003).
- Polano, Sergio e.a. eds., Hendrik Petrus Berlage. Het complete werk (Alphen aan den Rijn 1988).
Foto's:
- Berlage: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
- Gebouw Focke&Meltzer: Waterstone's
- Gebouw de Algemeene en gebouw De Nederlanden van 1845: NAI
- Beurs van Berlage: BMA
Lees meer...
Berlage hield zich namelijk niet alleen bezig met het ontwerpen van gebouwen. Hij was ook verantwoordelijk voor interieurontwerpen waarbij hij ook veel meubilair heeft ontworpen. Daarnaast was hij ook een van de oprichters van ’t Binnenhuis, een verkooplokaal voor kunstnijverheid aan het Amsterdamse Rokin. Maar naast het ontwerpen van interieurs had Berlage ook een grote interesse in stadplanning wat zich uitte in Plan Zuid in Amsterdam. Berlage was een zeer veelzijdig architect en ontwerpen en het is dan ook niet mogelijk dat alles te bespreken in een artikel. In dit artikel zal aandacht worden besteed aan de loop van zijn carrière en enkele beroemde gebouwen.
In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.
Hendrik Petrus Berlage
Berlage werd geboren aan de Amsterdamse Keizersgracht op 21 februari 1856. Zijn kinderjaren bracht hij door in Amsterdam waarna het gezin verhuisde naar Arnhem waar hij naar het HBS ging. Hij was zeer geïnteresseerd in architectuur en volgde een opleiding aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Tijdens zijn opleiding in Zürich werd hij beïnvloed door de architecten Gottfried Semper en Eugène Viollet-le-Duc. Deze invloed is voornamelijk terug te zien in zijn vroegere en meer klassieke ontwerpen. Na het afronden van zijn opleiding maakte hij een ‘Grand Tour’ door Duitsland en Italië. De reisherinneringen van Berlage werden in 2009 uitgegeven onder de titel Italiaanse reisherinneringen die werden ingeleid door Herman Bergeijk.
Na zijn ‘Grand Tour’ vestigde Berlage zich in Amsterdam waar hij in 1881 een samenwerkingsverband aanging met Theodor Sanders, die was opgeleid tot ingenieur. Sanders was op dat moment bezig met de constructie van het Nederlands Panopticum in de Amstelstraat. De samenwerking tussen Sanders en Berlage zorgde er voor dat de carrière van Berlage goed op gang kwam. Sanders zat bijvoorbeeld ook in de NV Maatschappij voor Koffiehuizen, een organisatie die vanaf 1879 koffiehuizen bouwden voor arbeiders. Samen met Sanders ontwierp Berlage in 1883-1884 koffiehuis De Hoop aan de De Ruyterkade in Amsterdam. Het was hun eerste gezamenlijke project. Het gebouw is in 1920 gesloopt op ruimte te maken voor een uitbouw van het Centraal Station, maar doet denken aan een ander gebouw van Berlage in Amsterdam. Berlage ontwierp op de Kalverstraat 152, op de hoek met het Spui, een winkelgebouw met kantoren voor de firma Focke&Meltzer. Tegenwoordig bevind zich in het gebouw de boekhandel Waterstone’s. Beide gebouwen vertonen duidelijke Renaissance invloeden wat goed te zien is in het gebruik van pilasters met Corinthische kapitelen. Berlage ontwierp in die periode dus duidelijk in een historiserende stijl die aan het eind van de negentiende eeuw zeer populair was.
Door een depressie in het midden van de jaren 1880 begon er een slechte periode voor Berlage en Sanders waarin ze maar weinig opdrachten kregen. In 1889 sloten zij dan ook hun bureau en ging Berlage verder als een freelance architect.
Een van zijn klanten bleef hem trouw, namelijk De Erven Lucas Bols, die Berlage tussen 1887 en 1895 meerdere opdrachten gaf om de interieurs van drinklokalen in verschillende Europese steden te ontwerpen. Daarnaast gaf Berlage vanaf 1887 les op de Quellijnschool een school voor kunst en nijverheid die in 1879 was opgericht door P.J.H. Cuypers. In 1887 trouwde Berlage met Marie Bienfait waardoor hij in aanraking komt met de dichter Albert Verwey en dichter en psycholoog Frederik van Eeden. Daarnaast ging hij zich ook meer met politiek bezighouden en kwam hij via de Breero Club, een genootschap van intellectuelen, politici en kunstenaars met radicale ideeën, in contact met E.D. Pijzel, P.L. Tak en de radicaal M.W.F. Treub. Voor velen van hen ontwierp Berlage villa’s, waaronder een voor Frederik van Eeden in Bussum en voor Pijzel aan de Van Baerlestraat. Via deze personen kwam hij ook in contact met Henri Polak, voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), wat uiteindelijk zou leiden tot de opdracht voor het hoofdgebouw van de ANDB tussen 1898 en 1900 aan de Henri Polaklaan (voorheen Plantage Franschelaan) in Amsterdam.
Gebouw De Algemeene en Gebouw De Nederlanden van 1845
Als freelance architect deed Berlage vaak mee aan prijsvragen waardoor veel van zijn ontwerpen nooit gerealiseerd zijn. Twee bekende gebouwen die hij in die periode ontwierp zijn het gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Algemeene, tussen 1892 en 1894 en een uitbreiding in 1901-1905, en een gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845 tussen 1894 en 1895 en een verbouwing en uitbreiding in 1910 en 1911.
In deze gebouwen, de eerste op het Damrak, de ander op het Muntplein, is al meer te zien van de rationalistische stijl waarmee Berlage zo bekend geworden is. Hij laat bij deze gebouwen duidelijk de neostijlen van de late negentiende eeuw achter zich. Het rationalisme gaat uit van het principe dat alle architectonische problemen rationeel zijn op te lossen. Daarmee is zij heel anders dan bijvoorbeeld de Art Nouveau waarbij men een veel meer gevoelsmatige aanpak had. Het gebouw voor De Algemeene kan dan ook als belangrijk worden beschouwt voor zijn verdere loopbaan als architect. Hij werd om dit gebouw geprezen door andere architecten. Het gebouw was wel modern maar had nog steeds herkenbare elementen. Maar nog vernieuwender was het gebouw voor De Nederlanden van 1845 op het Muntplein. Daar waar het gebouw voor De Algemeene nog enkele neogotische kenmerken had, zijn die bij het gebouw voor De Nederlanden niet meer te zien. Het is al een stuk strakker en soberder en vormt daarmee een mooie opmaat naar de bekende Beurs van Berlage.
De Beurs van Berlage
De Beurs wordt door de meeste mensen gezien als het hoogtepunt van de carrière van Berlage. Al vanaf 1873 werden er plannen gemaakt om het toenmalige beursgebouw, de Beurs van Zocher aan te passen. Adriaan Willem Weissman, gemeentearchitect, had de opdracht gekregen daar een ontwerp voor te maken. In 1895 trad echter Treub aan als directeur van de Dienst Publieke Werken en hij vond het ontwerp van Weissman niet goed. Treub gaf in 1896 de opdracht aan Berlage. Hij ontwierp, met steun van Treub, echter niet een uitbreiding voor de Beurs van Zocher maar een geheel nieuw beursgebouw. De plannen werden pas in maart 1898 door de gemeente gepubliceerd en op dat moment waren die in een zo ver gevorderd stadium dat tegenstanders geen bezwaar meer konden maken. In mei van datzelfde jaar werd er begonnen met de bouw. Op 27 mei 1903 werd het gebouw geopend.
Berlage wordt beschouwt al rationalist, wat inhoudt dat bijvoorbeeld architectonische problemen rationeel zijn op te lossen, en niet gevoelsmatig zoals bijvoorbeeld bij de Art Nouveau. Bij de Beurs heeft Berlage er bijvoorbeeld voor gezorgd dat vormen en ornamenten nauw aansloten bij de constructie van het gebouw. Maar er zijn in dit gebouw ook neoromaanse kenmerken te vinden en het gebouw met zijn toren doet ook sterk denken aan Romaanse kerken uit Noord-Italië. Daarnaast wordt het gebouw tegenwoordig ook gezien als de voorloper van de Amsterdamse School stijl en het Nieuwe Bouwen. Opvallend is dat aan de buitenkant van het gebouw nauwelijks te zien is dat het om een beursgebouw gaat. Het staat slechts in kleine letters aangegeven op de gevel aan de kant van het Beursplein. Het gebouw vormt een duidelijke eenheid maar heeft wel aan alle zijde een andere façade. De façade aan het Beursplein is zeer monumentaal en heeft veel weg van een kerk met de bogen boven de ingangen en de toren. De toren staat mooi in het verlengde van het Damrak dat het Centraal Station verbindt met de Dam. De façade verwijst ook naar het oude stadhuis van Amsterdam dat in de zeventiende eeuw werd vervangen door dat van Van Campen wat tegenwoordig het Paleis op de Dam is. De damrak zijde heeft echter een heel ander uiterlijk. Het silhouet verwijst naar het Centraal Station van P.J.H. Cuypers. De façade is echter geheel plat, slechts onderbroken door de ramen. Het voormaat van de erkers is ontleend aan dat van de gebouwen aan de overkant van de straat. Ook de noordkant van het gebouw dat gericht is naar het Centraal Station en aan het water lag heeft juist weer een heel open façade. Het gebouw is aan versierd met verschillende beeldhouwwerken en sluistenen die zijn gemaakt door Lambertus Zijl.
Het gebouw bood aan meer functies onderdak dan alleen een effectenbeurs. Er waren drie grote zalen die langs de lengteas gerangschikt zijn. Er was ruimte voor een effectenbeurs, een goederenbeurs en een graanbeurs. Er was ook een informatiekantoor, een ruimte voor de PTT, een kleine schippersbeurs en een koffiehuis. Het was echter niet alleen functioneel ingericht maar ook prachtig gedecoreerd. Het gebouw is wat we noemen een ‘Gesamtkunstwerk’ waarbij in- en exterieur één geheel vormen en waarbij meerdere kunstenaars samenwerken. Berlage ontwierp wel het gebouw maar liet het iconografische programma over aan Albert Verwey en is gebaseerd op twee thema’s: Amsterdam als belangrijke handelsstad en de klasseloze samenleving waarin geld geen rol speelt. Verwey maakte zelf verzen die werden uitgehakt in steen en op verschillende plaatsen in het gebouw zijn terug te vinden. Andere kunstenaars die aan het gebouw meewerkten waren Jan Toorop die tegeltableaus met daarop het verleden, heden en de toekomst ontwierp. Richard Roland Holst maakte een muurschildering met daarop ‘Industrie & Handel’ en Joseph Mendes da Costa was verantwoordelijk voor de decoratie van de vergaderzalen. Een van de mooiste zalen van het gebouw is de zaal van de Kamer van Koophandel, nu de Berlage zaal. Antoon Derkinderen ontwierp voor deze zaal, maar ook voor elders in het gebouw, gebrandschilderde ramen en maakte wandschilderingen. Deze wandschilderingen zijn tegenwoordig niet meer te zien omdat de zaal al in 1909 aangepast moest worden wegens de slechte akoestiek. De muren werden bekleed met lambrisering waardoor er niets meer van de wandschilderingen te zien is. Berlage was naast het ontwerp ook verantwoordelijk voor de inrichting van het gebouw. Hij ontwierp onder meer de lampen, hang- en sluitwerk, meubilair en hekken voor het gebouw en maakte daarmee het ontwerp compleet.
Literatuur:
- Berlage, Hendrik Petrus, Thoughts on style, 1886-1906 (Santa Monica 1996).
- Bock, Manfred, De inrichting van de Beurs van Berlage: geschiedenis en behoud (Zwolle 1996).
- Brentjens, Yvonne, H.P. Berlage (Zwolle 2010).
- Kloos, Maarten e.a. eds., Berlage in Amsterdam (Amsterdam 1992).
- Kramer, Walter, De Beurs van Berlage: historie en herstel (Zwolle 2003).
- Polano, Sergio e.a. eds., Hendrik Petrus Berlage. Het complete werk (Alphen aan den Rijn 1988).
Foto's:
- Berlage: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
- Gebouw Focke&Meltzer: Waterstone's
- Gebouw de Algemeene en gebouw De Nederlanden van 1845: NAI
- Beurs van Berlage: BMA
Lees meer...
20 feb 2012
Kijktip: documentaires Berlage en Cuypers
Een avondje architectuurgechiedenis met niet minder dan twee Nederlandse architectuur iconen. Pierre Cuypers (1827 – 1921), de Roermondse ontwerper van talloze kerken door het hele land, het Centraal Station en Rijksmuseum in Amsterdam was Nederlands grootste exponent van het Hollands eclecticisme, een stijl die het Hollandse karakter moest representeren. Cuypers vond dit in een combinatie van Hollands classisistische en katholiek gothische elementen. Berlage (1856 –1934) daarentegen kenmerkt zich in een zoektocht naar een eerlijke en pure vorm van architectuur. In feite een rationele reactie op Cuypers.
Online cultuur televisiekanaal Cultura24 zend op maandag en dinsdag aanstaande een aantal documentaires uit over de twee architecten en hun werken. Klik op lees verder voor het programma.
Maandag 20 februari
20:37 - 21:06: Visuele Kunsten: de beurs van Berlage
22:06 - 22:57: P.J.H. Cuypers, aertsbouheer 1827-1921
22:57 - 23:08: Een eeuw Rijksmuseum
Dinsdag 21 februari
16:37 - 17:06: Visuele Kunsten: de beurs van Berlage
18:06 - 18:57: P.J.H. Cuypers, aertsbouheer 1827-1921
18:57 - 19:08: Een eeuw Rijksmuseum
21:42 - 22:33: Berlage, Bouwmeester
Bekijk het verdere programma hier.
Afbeelding:
- waardestelling.nl
Lees meer...
Online cultuur televisiekanaal Cultura24 zend op maandag en dinsdag aanstaande een aantal documentaires uit over de twee architecten en hun werken. Klik op lees verder voor het programma.
Maandag 20 februari
20:37 - 21:06: Visuele Kunsten: de beurs van Berlage
22:06 - 22:57: P.J.H. Cuypers, aertsbouheer 1827-1921
22:57 - 23:08: Een eeuw Rijksmuseum
Dinsdag 21 februari
16:37 - 17:06: Visuele Kunsten: de beurs van Berlage
18:06 - 18:57: P.J.H. Cuypers, aertsbouheer 1827-1921
18:57 - 19:08: Een eeuw Rijksmuseum
21:42 - 22:33: Berlage, Bouwmeester
Bekijk het verdere programma hier.
Afbeelding:
- waardestelling.nl
Lees meer...
Labels:
Berlage,
Beurs van Berlage,
Kijktip,
Link,
Pierre Cuypers,
Rijksmuseum
22 nov 2011
Rondleidingen Beurs van Berlage
Het is mogelijk om een bezoek te brengen aan het voormalige beursgebouw van architect Berlage aan het Damrak. Met een rondleiding wordt u een unieke kans geboden om de minder makkelijk toegankelijke delen van het gebouw te zien. De rondleiding van ruim een uur is de moeite waard, aangezien de mooiste delen van het gebouw worden bezocht, inclusief de oude Kamer van Koophandel en een bestijging van de toren.
In een periode van economische groei is de Beurs tussen 1898 en 1903 gebouwd als vervanging voor de te klein bevonden Beurs van Zocher, een voorloper die op de plek van de huidige Bijenkorf stond. In de beurs werden naast aandelen, ook graan en goederen verhandeld. Inmiddels is de Beurs het tehuis van het Nederlands Philharmonisch Orkest en worden de ruimtes commercieel verhuurd voor recepties, vergaderingen of congressen.
Onder leiding van een gids van Artifex, wordt de architectuur en de geschiedenis van het gebouw behandeld, alsook het socialistische gedachtegoed dat, ondanks de functie als kapitalistische beurs, door Berlage een plek heeft gekregen in het gebouw. Ondanks dat bij de meesten het exterieur overbekend is, is het gebouw één van de mooiste voorbeelden van de voor Berlage kenmerkende vormentaal en het bezoeken toch meer dan waard. Het gedachtengoed van het gesamtkunstwerk, het verlangen om een totaalervaring te creëren waarbij ideologie, maatschappij, kunst, eerlijke constructie en de functie van het gebouw zouden samensmelten tot één geheel is duidelijk te zien in het in zeer goede staat verkerende interieur.
Voor het decoratieprogramma werd Berlage geholpen door Jan Toorop (tegeltableaus), Richard Roland Holst (muurschilderingen), Lambertus Zijl (beeldhouwwerk), Albert Verweij (verzen), Antoon Derkinderen (glas in lood) en Joseph Mendes da Costa (interieurs). Berlage was zelf verantwoordelijk voor het meubilair.
Reserveren is gewenst en kan via beursvanberlage.nl.
Lees meer...
In een periode van economische groei is de Beurs tussen 1898 en 1903 gebouwd als vervanging voor de te klein bevonden Beurs van Zocher, een voorloper die op de plek van de huidige Bijenkorf stond. In de beurs werden naast aandelen, ook graan en goederen verhandeld. Inmiddels is de Beurs het tehuis van het Nederlands Philharmonisch Orkest en worden de ruimtes commercieel verhuurd voor recepties, vergaderingen of congressen.
Onder leiding van een gids van Artifex, wordt de architectuur en de geschiedenis van het gebouw behandeld, alsook het socialistische gedachtegoed dat, ondanks de functie als kapitalistische beurs, door Berlage een plek heeft gekregen in het gebouw. Ondanks dat bij de meesten het exterieur overbekend is, is het gebouw één van de mooiste voorbeelden van de voor Berlage kenmerkende vormentaal en het bezoeken toch meer dan waard. Het gedachtengoed van het gesamtkunstwerk, het verlangen om een totaalervaring te creëren waarbij ideologie, maatschappij, kunst, eerlijke constructie en de functie van het gebouw zouden samensmelten tot één geheel is duidelijk te zien in het in zeer goede staat verkerende interieur.
Voor het decoratieprogramma werd Berlage geholpen door Jan Toorop (tegeltableaus), Richard Roland Holst (muurschilderingen), Lambertus Zijl (beeldhouwwerk), Albert Verweij (verzen), Antoon Derkinderen (glas in lood) en Joseph Mendes da Costa (interieurs). Berlage was zelf verantwoordelijk voor het meubilair.
Reserveren is gewenst en kan via beursvanberlage.nl.
Lees meer...
Labels:
Amsterdam Centrum,
Berlage,
Beurs van Berlage,
Recensie,
Rondleiding
Abonneren op:
Posts (Atom)
























