Posts tonen met het label GJ Rutgers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label GJ Rutgers. Alle posts tonen

18 feb 2014

Lezing en tentoonstelling Gerrit Jan Rutgers, het gezicht van Plan Zuid

Vanaf 15 maart 2014 zal in Bezoekerscentrum De Dageraad een tentoonstelling te zien zijn over het leven en het werk van de Amsterdamse School architect Gerrit Jan Rutgers (1877-1962). Als één van de meest productieve architecten die invulling gaven aan Plan Zuid was hij verantwoordelijk voor vele gezichtsbepalende bouwwerken, waardoor hij met recht het gezicht van Plan Zuid genoemd kan worden. De tentoonstelling wordt bij de opening ingeleid met een lezing door Sebas Baggelaar.

Architect Rutgers leerde het vak al vroeg in zijn geboorteplaats Ellecom op de Veluwe, maar het was in Amsterdam dat zijn carrière een grote vlucht nam die tot na de Tweede Wereldoorlog zou duren. Het belangrijkste deel van zijn werk bouwde hij tussen 1920 en 1939 in de nieuwe uitbreidingswijken van Amsterdam. Waar de Amsterdamse School bekendheid kreeg met enkele spectaculaire ontwerpen voor arbeiderswoningen, besteedde Rutgers ook aandacht aan het praktische aspect in zijn ontwerpen, waardoor het ook toegankelijk werd voor het grote publiek. Zijn fenomenale oeuvre is herkenbaar aan de met zorg toegepaste sierlijke detaillering in metsel- en smeed- en beeldhouwwerk.

Rutgers’ gebouwen markeren bijzondere sleutellocaties in de stad. Zijn werk omvat naast villa’s en rijtjeshuizen ook arbeiderswoningen en meubilair. De meeste Amsterdammers zullen hem echter kennen van de zwierige rode bebouwing aan het Roelof Hartplein en het Carlton Hotel aan de Vijzelstraat. Met tevens ontwerpen voor de uitbreiding van het Hotel American, het daarbij horende beroemde café en de verbouwing van het Amstel Hotel had Rutgers de drie grootste en meest prestigieuze hotels onder zijn hoede en bouwde hij een reputatie op als expert van hotel-architectuur.

De tentoonstelling is vanaf 15 maart 2014 te bezoeken in Bezoekerscentrum De Dageraad, Burgemeester Tellegenstraat 128. Bij de opening zal een lezing worden gegeven.

De kosten voor de lezing bedragen €15,00 inclusief koffie/thee voor aanvang en afsluitend een drankje. Studenten en houders van een Stadspas krijgen €2,50 korting op de toegangsprijs.
Aanvang lezing: 16.30, inloop vanaf 16.00.

Voor de lezing is reserveren noodzakelijk. U kunt online boeken via het reserveringsysteem op www.hetschip.nl.

Lees meer...

16 mrt 2012

Grand Hotel Centraal / Carlton Hotel van GJ Rutgers

In 1928 waren de Olympische spelen in Amsterdam. Dit was voor iedereen een grote gebeurtenis en er moesten maatregelen getroffen worden om het evenement te accomoderen. De sportfaciliteiten werden ingepast in de plannen van de aanleg van de nieuwe buurt in het zuiden van de stad, Plan Zuid, maar in de binnenstad rezen nieuwe hotels uit de grond, bedoeld om de stad voor te bereiden op de vele toeristen. Op de Vijzelstraat moest het grootste en meest luxueuze hotel van de stad komen, het Grand Hotel Centraal. Er werd in 1922 een prijsvraag uitgeschreven, waar verschillende gerenomeerde architecten op inschreven, maar Gerrit Jan Rutgers won, mede doordat het ontwerp bij KPC de Bazel, verantwoordelijk voor de welstand van de nieuwe Vijzelstraat, zo gecharmeerd was van het ontwerp. Het ontwerp werd uiteindelijk toch enigszins aangepast: er moest een verdieping vanaf zodat het gebouw niet hoger zou zijn dan de naastgelegen Munttoren.

Rutgers ontwierp een kolos van een gebouw dat bestond uit een huid van rode bakstenen en graniet op een betonconstructie van in totaal zes verdiepingen. Onderin kwam een laag met winkels die van onder een arcade bereikbaar waren, zoals door de Bazel geëist. Daarboven kwam de eigenlijke ontvangstruimte van het hotel met een grote hal, de verschillende eet-, feest- en cocktailzalen en de dienstvertrekken. Daar weer boven waren vier verdiepingen met ieder 38 kamers. Het werd toen als zeer luxueus gezien dat alle kamers een badkamer hadden. Ook hadden alle kamers een telefoon, hetgeen het niet alleen zeer luxueus, maar ook zeer modern maakte. Verder waren er centrale verwarming, warm- en koelwater aansluiting en een “electrisch gedreven mechanische ventilatie-inrichting”. Er kwamen twee entrees naar het hotel aan het Singel en aan de reguliersdwarsstraat. De huidige entree aan de Vijzelstraat is van latere datum.

Hoewel Rutgers de regie kreeg over het gehele deel tussen de Singel de Herengracht, zou het gebouw in twee fases worden gebouwd. De eerste fase bestond uit tweederde van het kavel en vormde een poort over de Reguliersdwarsstraat. Later zou de “annex” volgen tot aan de Herengracht. Hoewel de beide delen uiteindelijk van elkaar verschilden, zou in 1925, bij het indienen van het ontwerp, de overgang toch geslaagd genoemd worden door collega JP Mieras. Niet iedereen was overigens tevreden over het ontwerp. JM van Hardeveld schreef in het Bouwkundig Weekblad dat het niet Rutgers zijn beste werk was. Vooral de monumentaliteit op deze plek was niet geslaagd. Uiteindelijk is het latere deel toch minder uitdrukkelijk uitgevoerd.

Het beeldhouwwerk van Theo Vos moest het internationale karakter van de Olympische Spelen laten zien en is zeer uitgebreid. We zien beeldengroepen die de verschillende culturen, werelddelen en landen verbeelden.

Bijzonder is echter dat ondanks de voor die tijd moderne Amsterdamse School buitenkant, binnenshuis voor een zeer behoudende stijl werd gekozen met veel Lodewijk XIV invloeden. Hier en daar toch vermengd met enkele Art-Déco elementen.

Met de bouw werd begonnen in 1925 en was gereed in 1928. Tijdens de bouw ging de opdrachtgever, de NV Grand Hotel Centraal failliet, waarna het project werd overgenomen door dhr Carlton, naar wie het hotel uiteindelijk vernoemd is. Nog in het jaar van opening bleek de capaciteit te klein en werd toch de extra verdieping aan het hotel toegevoegd, ontworpen door Gerrit van Arkel en HJ Breman in 1928-1929. Onduidelijk is hoe het komt dat de eerder niet toegestane verdieping, later alsnog door de keuring is gekomen.

In 1943 stortte een Britse bommenwerper neer vlak achter het gebouw, waarbij niet alleen een groot aantal woningen aan het Singel, maar ook een deel van het hotel verwoest raakte: precies op de scheiding van het hoofdgebouw met de annex. Op deze plek heeft Jan Wils na de oorlog een nieuw gedeelte aan het hotel gebouwd, maar van de uiteindelijke oplossing die Rutgers had gekozen als overgang tussen de twee delen, is helaas weinig meer over dan een onhandig ogende uitstulping.

GJ Rutgers
Gerrit Jan Rutgers is geboren in 1877. Vanaf 1897 begon zijn carriëre bij verschillende architectenbureaus in Gelderland, voordat hij in 1912 naar Amsterdam verhuisde. Van 1914 tot 1919 was hij in dienst van de Dienst Publieke Werken waar hij onder andere enkele scholen heeft ontworpen (Zocherstraat). Een bijzonder gebouw uit die tijd is het Hoofdgebouw Gemeentelijke Telefoondienst aan het Singel/ Herengracht, dat hij samen met Marnette ontwierp. Hierna heeft Rutgers een eigen bureau opgericht. Zijn uiteindelijke succes lag in de vele woningbouwblokken en villa’s die hij in Amsterdam Zuid bouwde. Hoewel hij voornamelijk opdrachtgevers had uit de rijkere klassen, heeft hij ook enkele sociale woningbouwblokken ontworpen. Samen met architecten Westerman en Warners was hij één van de meest productieve architecten van de Amsterdamse School, hoewel zijn werken over het algemeen minder uitbundig waren dan die van de bekendere collega’s.

Na het Carlton hotel is voor Amsterdammers waarschijnlijk het woningen complex aan het Roelof Hartplein (1922-1923) het meest bekend. Het café Wildschut, op de begane grond, met het oorspronkelijke interieur straalt nog steeds sfeer van vroeger tijden uit.

Veel monumentale gebouwen heeft Rutgers niet ontworpen, maar direct na het succes van het Carlton mocht hij zijn kunsten nog eens aan een hotel besteden. De veel minder monumentale en uitbundig ontworpen uitbreiding van het Hotel American aan de Leidsekade laat voortekenen zien van zijn latere werk, dat veel soberder van karakter is.

[UPDATE]
Tot slot nog een achteraf gevonden foto die duidelijk de ravage toont van het neerstorten van het vliegtuig tijdens de Tweede Wereldoorlog. De brand was een zeer indrukwekkende gebeurtenis en de grootste stadsbrand van na de Gouden Eeuw.


Afbeeldingen:
- Tekeningen: GJ Rutgers in Bouwkundig Weekblad
- Historische foto's: Beeldbank archief Amsterdam
- Foto WOII: BeeldbankWO2.nl
- GJ Rutgers: NAi
- Foto beeldhouwwerk Azië: SPQA Amsterdam

Bronnen:
- Het hotel op Rijksmonumenten.nl
- De Wikipedia pagina over het Carlton hotel
- Een biografie op de site van het NAi
- Hardeveld, JM van, 1925, “De tweede Vijzelstraat bebouwing”, Bouwkundig Weekblad
- Mieras, .JP 1925, “Bij het ontwerp van het Grand Hotel Centraal aande Vijzelstraat te Amsterdam” Bouwkundig Weekblad
- Rutgers, Gerrit Jan – architect, iisg.nl, (oorspronkelijke herkomst onbekend)


Lees meer...

23 jan 2012

De Amsterdamse School

Hoewel de meeste mensen de term Amsterdamse School kennen, houdt bij veel mensen de kennis op bij het romantische beeld van mooie baksteen architectuur. De Amsterdamse School is één van de weinige bouwstijlen die door architecten, historici én reguliere architectuur-geïnteresseerden wordt gewaardeerd. Maar wat is de Amsterdamse School precies, behalve een zeer decoratieve bouwstijl uit de jaren '20 en '30 die een sterke binding heeft met de sociale woningbouw in Nederland? Wat zijn de ideologieën van de architecten als Michel de Klerk en Joan van der Meij en op welke manier past het beeld van het gesamtkunstwerk hier in? Wat zijn de verschillen en overeenkomsten met de Art Nouveau en de Art Déco? In dit artikel meer aandacht voor de kenmerken van de Amsterdamse School.

De Amsterdamse School
De Amsterdamse School is een bouwstijl die populair was van ongeveer 1910 tot 1930. Er is veel onduidelijkheid over hoe men de Amsterdamse School architectuur precies kan herkennen. De verschillen met de Art Nouveau, de Art Déco en de Nieuwe Kunst van Berlage zijn vaak zo klein, dat het moeilijk is een duidelijke scheiding tussen de diverse stijlen aan te geven. Voor een deel overlappen zij met elkaar en vooral visueel zijn er overeenkomsten, maar toch zijn er enkele duidelijke verschillen aan te wijzen. Belangrijke eigenschappen die de Amsterdamse School uniek maken zijn de manier waarop met compositie wordt omgegaan, de verbinding met de sociale woningbouw, de ideologie achter de beweging en de ontstaansgeschiedenis. In dit artikel zal meer verteld worden over de aanleiding en het verhaal achter de Amsterdamse School. Ook wordt er ingegaan op de visuele basiskenmerken. Tot slot een stuk over de reden dat de stijl maar kort populair was.

De eerste tekenen
De Amsterdamse School is net als de Art Nouveau en de meer rationele Nieuwe Kunst van Berlage, die beiden iets eerder ontstonden, een reactie op de neostijlen uit de 19e eeuw. Deze beweging, waarvan Pierre Cuypers in Nederland de belangrijkste exponent van was, baseerde haar ontwerpen op het imiteren van klassieke, gothische of renaissance gebouwen en hun verhoudingen. Eind negentiende eeuw, kwam hier verandering in. Gedreven door een snel veranderende maatschappij, zoals de in Nederland laat op gang gekomen industrialisatie, nieuwe uitvindingen en een wereld die zich opende, ontstond ook in de architectuur een drang om te vernieuwen en te zoeken naar nieuwe inspiratiebronnen voor de vormgeving. Terwijl in andere delen van Europa de Art Nouveau populair was, ontstond rond 1890 in Nederland een door Berlage getrokken sobere en rationele variant. Deze was echter zo sober, dat er al snel een tegenbeweging kwam. Zo deed Nederland ook alsnog mee in de expressieve periode van de architectuur.

Gedreven jonge architecten begonnen de typisch Nederlandse materialen, als bakstenen en dakpannen, te gebruiken om juist volstrekt irrationele vormen te creëren. De nadruk lag nu meer op spektakel, schoonheid en romantiek. Een verademing vergeleken met de vaak zwaarmoedige ontwerpen van Berlage en al snel viel het bij het grote publiek in de smaak. Veel van deze architecten hadden geen formele ingenieursopleiding gevolgd en hadden een veel artistiekere en idealistische benadering van de architectuur. In plaats van de bouwkunde van Berlage, voelden zij meer voor de bouwkunst. Een verschil met de Art Nouveau is dat bij de laatste vaak natuurlijke en plantaardige vormen als inspiratie werden genomen, denk aan bloemen, planten, vogels, draken, etc., terwijl de Amsterdamse School vaak een abstractere uitstraling heeft. Ook ligt bij de Amsterdamse School de nadruk sterker op de compositie van de verschillende vormen.

De eerste gebouwen van de Amsterdamse School waren nog opdrachten die vanuit instituten met geld kwamen, zoals het Scheepvaarthuis (1912-1916) van Joan van der Meij, dat door chique scheepvaartmaatschappijen was besteld. Het Hillehuis (1911) van Michel de Klerk (middenstand woningen) voor ontwikkelaar Klaas Hille en de arbeidsbeurs (1913) voor Publieke Werken van Van der Meij en Piet Kramer, maar al snel kwam hier verandering in.

Sociale woningbouw en socialistisch idealisme
Er was namelijk tegelijkertijd een andere revolutionaire ontwikkeling aan de gang. Er kwam meer aandacht voor arbeiderswoningbouw, geleid door een sterke socialistische beweging, die uitmondde in de woningwet. De woningwet bepaalde onder andere dat woningen moesten voldoen aan minimale eisen en dat er niet meer gebouwd mocht worden zonder bouwvergunning. Maar misschien het belangrijkste onderdeel voor de ontwikkeling van de Amsterdamse School was de mogelijkheid voor verenigingen om financiële steun te ontvangen van de overheid, de woningbouwcorporaties. De steun hield in dat woningbouwverenigingen goedkope leningen kregen van de overheid, mits zij zich zonder winstoogmerk volledig toelegden op woningbouw. De woningwet was voortgekomen uit de noodzaak voor maatregelen vanuit de overheid om goede woningen te bouwen voor arbeiders. Krotten moesten onbewoonbaar worden verklaard en worden ontruimd en daarvoor in de plaats moesten nieuwe degelijke woningen komen. Hoewel de woningwet uit 1901 stamde, heeft het toch tot ongeveer 1915 geduurd voordat de eerste woningwetwoningen gerealiseerd waren.

Vanwege de verzuiling hadden de corporaties allen een andere achtergrond of ideologie. Er waren katholieke of juist protestante verenigingen, er waren socialistische verenigingen, maar ook grote bedrijven, zoals de spoorwegen of de gasfabrieken hadden hun eigen vereniging. Waar er bij de meeste verenigingen vooral aandacht was voor de gezondheid en hygiëne: toiletten, stromend water, buitenruimte en de ligging van keuken en trapgat, namen vooral de socialistische verenigingen het voortouw om een stap verder te gaan. Als de arbeidersklasse verheven moesten worden, dan kon dat niet alleen door het verschaffen van gezonde woningen. Voor de mentale verheffing was het ook belangrijk dat arbeiders in contact kwamen met kunst en cultuur.

De Amsterdamse School, waartoe een aantal sterk socialistische architecten, zoals Michel de Klerk, toe behoorden, werden gevraagd als architect voor het nieuwe vraagstuk van arbeiderswoningen. Zij gaven invulling aan hun socialistische idealisme met het verlangen om bijzondere en mooi versierde “arbeiderspaleizen” te bouwen voor “hen die al zo lang zonder enige vorm van schoonheid hadden moeten leven”. Om kosten te besparen werd vaker gekozen voor de goedkopere lokale materialen. In de bouwtraditie in Nederland was altijd al plaats geweest voor bakstenen, dakpannen en hout voor de kozijnen, maar nu werd er gezocht naar steeds creatievere manieren om deze materialen te gebruiken. Bakstenen zijn ideaal voor allerlei creatieve uitspattingen: experimenten met metselverbanden, uitsteeksels, sierrandjes, rondingen, ramen in bijzondere vormen, maar steeds vaker werd de nadruk gelegd op abstracte composities en plasticiteit. Dit laatste is een enigszins vage term die veel wordt gebruikt om de Amsterdamse School aan te duiden. Er wordt mee aangeduid dat er meer dan bij andere stijlen aandacht wordt besteed aan het plaatsen van driedimensionale vormen, vlakken, lijnen en elementen in composities die je in eerste instantie niet zou verwachten. Een aantal voorbeelden hieronder illustreren dit:

Spaarndammerplantsoen (1918) Michel de Klerk, J.M. Coenenstraat (1922-1924) J.F. Staal, J.M. Coenenstraat (1926) B van den Nieuwen Amstel.

De Amsterdamse School als totaal stijl
De Amsterdamse School is niet alleen een architectuurstijl. Net als bij andere bewegingen was het ook toepasbaar voor andere objecten, zoals meubilair, grafische ontwerpen en gebruiksobjecten. Wel is een kenmerk van deze tijd dat er werd geprobeerd de grenzen tussen architectuur en toegepaste kunst te vervagen. Deze ontwerpfilosofie, die overigens ook al bij Berlage populair was, werd aangeduid met de term gesamtkunstwerk. Hierbij werd getracht aan de ene kant de verschillende kunsten te doen samensmelten door beeldhouwwerk, smeedijzerwerk, meubilair, muurschilderingen mee te nemen en aan de andere kant een hoge mate van ambacht in alle materialen toe te passen, sierlijk tegelwerk, elegante trapleuningen, mooi gipswerk, glas-in-lood, etcetera. Het hoefde niet per sé van één en dezelfde ontwerper te zijn, vaak werden andere ontwerpers op specifieke ruimtes of materialen gezet.
Bij sociale woningbouw was het niet mogelijk om zoveel versieringen in verschillende materialen toe te passen, simpelweg omdat de bewoners het niet konden betalen. Toch zien we een iets soberder voorbeeld van deze totaalkunst in het postkantoor in Het Schip (1919-1921) van Michel de Klerk, waar nu een museum in is gevestigd.
Wel bleef het vaak bij toegepaste kunst, een echte Amsterdamse Schoolstroming in bijvoorbeeld de schilderkunst, is moeilijker te vinden, maar bijvoorbeeld het symbolisme en de socialistisch bewogen lithografieën die in grote getalen gedrukt werden als “kunst voor het volk” van Jan Toorop hebben veel overeenkomsten met de ideologie van de Amsterdamse School architecten.

De Amsterdamse School bleef ook niet bij de sociale woningbouw. De stijl werd al gauw populair onder alle lagen van de bevolking. Sierlijk bouwen was al langer in trek en deze nieuwe stroming werd ook door de elite veel besteld. Er zijn talloze villa’s bekend in Amsterdamse School stijl, hoewel hier het socialistische ideaal vaak nergens te bekennen is. De stijl kan blijkbaar ook los gezien worden van de ideologie en er zijn een heleboel architecten die wel in Amsterdamse School stijl ontwierpen, maar niets met het socialisme hadden.

De Amsterdamse School in Amsterdam
Hoewel de woningwet een oplossing was voor een landelijk probleem is de Amsterdamse School vooral in Amsterdam tot uiting gekomen. Dit heeft meerdere oorzaken. Om te beginnen was de socialistische kern vooral in Amsterdam gevestigd. Dit waren niet alleen de arbeiders, maar ook de socialistische elite, een club die bestond uit kunstenaars, filosofen en idealisten, mensen zoals Floor Wibaut en Arie Keppler, die de functies bekleedden van respectievelijk wethouder van volkshuisvesting voor de SDAP en directeur van de gemeentelijke woningdienst Amsterdam. Zij waren de stuwers achter de woningwet en begeleidden de arbeiders in het opzetten van de woningbouwverenigingen.

Ook belangrijk voor de Amsterdamse School was de dienst Publieke Werken, de gemeentelijke dienst die verantwoordelijk was voor openbare gebouwen, zoals scholen, bruggen en straatmeubilair, maar ook de stedenbouwkundige plannen voor de stad maakte. Directeur A.W. Bos wilde van zijn dienst een moderne organisatie maken en nodigde daarom de jonge Amsterdamse School architecten uit om de ontwerpen te maken. Aangezien Amsterdam in die tijd enorm groeide, was de invloed van deze dienst groot. Honderden scholen, honderden bruggen (Piet Kramer), maar ook de gebouwen voor diensten als de tram, het electriciteits bedrijf, het stadshuis werden allemaal in deze stijl gebouwd.

Tot slot was er in Amsterdam de schoonheids- of welstandscommissie opgezet. Een commissie bestaande uit vooraanstaande architecten die, hoewel deze niet was verbonden met de gemeente, voor zichzelf een positie had verworven om alle nieuwbouw te keuren en adviezen uit te brengen over het ontwerp. Het college van B&W mocht hiermee doen wat zij wilde, maar in de praktijk namen zij alle adviezen over en keurden veel gebouwen af. Hoewel de welstand in het begin zelfs huiverig was geweest ten opzichte van de nieuwe stijl, bestond deze na enkele jaren uit enkel Amsterdamse School architecten. Het hoeft geen verwondering te wekken, dat er een sterke voorkeur uitging naar deze stijl. Ook architecten die eerder in een andere stijl hadden gebouwd, pasten hun ontwerpen aan door er Amsterdamse School trekjes aan toe te voegen. Zij kregen anders simpelweg geen opdrachten.

Kritiek en het einde van de Amsterdamse School
Natuurlijk is er toen en in de loop der jaren veel kritiek geweest op de Amsterdamse School. Vooral achteraf gezien was het een beweging die erg tweeslachtig was. Het verspillen van gemeenschapsgeld aan het bouwen van zinloze ornamenten op arbeiderswoningen viel moeilijk te rijmen met de grote woningnood en materiaalschaarste uit die tijd. Het Schip (1919-1921) van Michel de Klerk, hoewel tegenwoordig gezien als één van de mooiste voorbeelden van de Amsterdamse School, kreeg misschien wel de meeste kritiek te verduren. De kosten per woning bleken uiteindelijk meer dan drie keer zoveel als andere woningen met dezelfde oppervlakte. Ook het voortschrijdend inzicht in de eigenschappen van goede, gezonde arbeiderswoningen bleek niet meer te kloppen met eerdere Amsterdamse School opvattingen. Wilden de architecten eerst het gezinsleven stimuleren door de woning relatief af te sluiten van de buitenwereld, nu bleek dat licht toch ook erg belangrijk was voor de gezondheid. Ook kwam er kritiek op de hoge onderhoudsinvesteringen. Niet alleen huisvrouwen klaagden over alle raampjes, hoekjes en randjes die gepoetst moesten worden, ook voor de corporaties bleek het onderhoud van de woningen enorm veel te kosten. Het idealisme van de begindagen was inmiddels weggeëbt en toen rond 1930 de levensstandaard voor arbeiders hard omhoogging, waren er weinig argumenten meer over om zo duur te bouwen. In het latere Amsterdam Zuid, waar vooral voor de middenklasse gebouwd werd door ontwikkelaars ziet men dan ook dat de grootse irrationele beweging uit de hoogtijdagen zijn verworden tot een soberdere variant, waar de versieringen veel subtieler van aard zijn en de compositie van de gebouwen weer traditionelere oplossingen tonen. De rondingen zijn er vaak vervangen voor hoekige vormen en het zadeldak (de driehoekige vorm, die de meest voorkomende dakvorm vormt) is terug. Het spel met bakstenen is veel minder sterk aanwezig en ramen zijn ook vaak een stuk traditioneler van vorm.

C. Kruyswijk Stadionweg (1930), G.J. Rutgers Minervalaan (1926)

Het definitieve einde van de Amsterdamse School kwam met de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de oorlog werden amper woningen gebouwd en toen deze was afgelopen, moest er een inhaalslag worden gemaakt. Er moesten snel enorme hoeveelheden goedkope woningen gebouwd worden en de Amsterdamse School was daarvoor gewoonweg niet geschikt.
Het einde van een karakteristieke nationale stijl.

Hiermee komen wij aan het einde van het eerste deel van deze reeks artikelen over de Amsterdamse School. Blijf ons blog in de gaten houden voor meer.

Bronnen:
- Bolhuis, G. Atlas gordel 20-40. Amsterdam, De Balie.
- Casciato, M.(1991) De Amsterdamse School. Rotterdam, Uitgeverij 010.
- Stissi, V. (2007) Amsterdam, het mekka van de volkshuisvesting, Sociale woningbouw 1909-1942. Rotterdam, Uitgeverij 010.

Foto's:
- Alle foto's: SPQA Amsterdam,
behalve
- Minervalaan: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam


Lees meer...

6 dec 2011

Architect belicht: JF Staal (2)

Vorige week is een start gemaakt met een beknopte biografie over Architect Jan Frederik Staal. De architect, die tegenwoordig aardig onderbelicht blijft, heeft mij altijd weten te boeien, juist vanwege de verscheidenheid van zijn ontwerpen en zijn vermogen om elke keer een visueel sterk ontwerp neer te zetten. Vorige week zijn de vroege werken van Staal aan bod gekomen. Deze week wordt meer aandacht besteed aan zijn latere en waarschijnlijk bekendere ontwerpen. Deel 2 van een tweeluik over deze architect.

In de rubriek Architect belicht wordt op regelmatige basis een spraakmakende architect uitgelicht die veel heeft betekend, soms juist weinig heeft betekend, of gewoon omdat hij/zij in het nieuws voorkomt.

Vorige week is de Amsterdamse School periode van Staal al enigszins besproken. Deze periode is tevens de periode waar Staal in uitblonk. Tijdens het grootste deel van deze periode die voor Staal van ongeveer 1918 tot 1930 duurde was hij tevens redacteur van het tijdschift Wendingen, een toonaangevend en kritisch tijdschrift, ontstaan uit het genootschap van Architectura et Amicitia, waar veel Amsterdamse School architecten voor schreven. Het blad, dat opgericht was door H. Th. Wijdeveld, behandelde naast nieuwe gebouwen een grote verscheidenheid aan verwante onderwerpen, zoals meubilair, kunst, maar ook typografie en uitheemse architectuur.

De Samenwerking
Een karakteristiek voorbeeld uit deze periode van Staal vormt het bouwblok voor De Samenwerking aan de JM Coenenstraat uit 1921-1924. De Samenwerking was een coöperatieve vereniging voor gegoede gemeenteambtenaren. Anders dan bij andere coöperaties, werden architecten hier niet naar ideologie of geloof uitgezocht. Staal behoorde net als zes andere architecten, waaronder Michel de Klerk, Gratama en Van Epen tot een voorselectie, waarna zij schetsen moesten inleveren. In eerste instantie werd Staal niet uitgekozen, maar later mocht hij dit blok toch ontwerpen.

Vooral de hoekpartij aan de Bartholomeus Ruloffsstraat, die de indruk wekt van het samenkomen van lange volumes, vormt een spectaculaire compositie van cillindrische en kubistische vormen. Het is vooral deze hoek die op de foto wordt genomen, maar de zijde aan de Bronckhorststraat laat eveneens een mate van fantasie en oog voor detail zien, dat de meeste andere gebouwen overschaduwd. Het is de zijde aan de JM Coenenstraat, met de stalen traplichten, die het verlangen van Staal illustreert, om met nieuwe materialen te experimenteren. Deze manier van ontwerpen, waarbij afzonderlijke delen van een gebouw een ander uiterlijk krijgen, kan gezien worden als een verlangen om het stedenbouwkundige plaatje ook mee te nemen. Niet alleen levert het een gevarieerd straatbeeld op, het is ook een poging een gesamtkunstwerk te vormen, waarbij de omgeving van het gebouw en het gevoel hierbij wordt meegenomen in de afzonderlijke delen van het gebouw. Deze idealen zijn ook in de blokken van De Dageraad en Het Schip van Michel de Klerk en Piet Kramer aanwezig, hoewel Staal de nadruk meer legt op de compositie van de rondingen, vlakken en volumes, terwijl de blokken van de andere twee zich concentreren op een rijke en gevarieerde detaillering.

Andere gebouwen uit deze periode vormen onder andere het iets subtielere bouwblok aan de Pythagorasstraat, Copernicusstraat en Linnaeusparkweg in Watergraafsmeer (1919-1920), de bebouwing aan de Jan Evertsenstraat bij het Mercatorplein (1925) en het Nederlandse paviljoen van de wereldtentoonstelling in Parijs (1925), waarvoor Staal de Grand Prix voor Architectuur ontving.

Zakelijke periode
Nadat de uitbundige passie van de Amsterdamse School enigszins was getemperd door ontwikkelingen als de crisis, en de stijl zich verder ontwikkeld tot een soberdere variant, is Staal weer een van de voorlopers en hij weet de nieuwe technologische ontwikkelingen die elders plaats vinden in meer of mindere vorm samen te voegen met Amsterdamse School invloeden en tot nieuwe gebouw types te ontwikkelen. Om kosten te sparen, vindt er een verschuiving in de architectuur plaats die zich kenmerkt door het gebruik van meer kubistische, strakkere vormen en het veelvuldig achterwege laten van spectaculaire en kostbare details.

Het Telegraafgebouw (1925-1930) is een mooi voorbeeld van een tussenvorm, aangezien het ook nog steeds trekken heeft van de Amsterdamse School. Dit is vooral te zien in de toren van meer dan 47m hoog, welke was versierd met keramiek, beeldhouwwerk van Hildo Krop en in de kleine raampjes, zaten letters, “Telegraaf”, die ’s nachts oplichtten. Het beeldhouwwerk stelde vier krantenjongen voor die naar alle windrichtingen riepen. In 2004 zijn replica’s hiervan herplaatst. De sobere, licht gevel, waarachter de kantoren en op de begane grond de persen. Deze waren zo zwaar dat de fundering uitzonderlijk robuust is uitgevoerd. Staal heeft zich voor deze oplossing en vanwege de hoogte van het gebouw laten helpen door de ingenieur G.J. Langhout.

Een tweede voorbeeld uit deze periode is de Wolkenkrabber (1927-1930) aan het Victorieplein in Zuid, of het Daniël Willinkplein, zoals het tot 1945 heette. Het 40 meter hoge gebouw vormt de afsluiting van de Vrijheidslaan, de entree van Plan Zuid. Voor het 12-verdiepingenhuis, zoals het gebouw officieel heet is duidelijk dat Staal zich verwijderde van de sierlijke Amsterdamse School en experimenteerde met nieuwe technologieen en materialen, zoals gewapend beton, staal en glas. Het vormde het eerste gebouw van deze hoogte in Nederland en was voor die tijd ongekend modern. Naast de wolkenkrabber ontwierp Staal ook het achterliggende en bijbehorende complex met woningen aan het Merwedeplein/Churchilllaan/Rooseveltlaan.

Een ander voorbeeld uit deze periode vormt het blok aan de Jan Evertsenstraat (1925) en de bloemenveiling in Aalsmeer (1928).

De invloed van de Nieuwe Zakelijkheid is langzaam maar zeker ook in de ontwerpen van Staal te merken. Enigszins tegelijkertijd met de bovengenoemde gebouwen ontwerp Staal in Rotterdam, de Koopmansbeurs. Hoewel dit gebouw pas in 1940 gereed kwam, kreeg Staal de opdracht al in 1925 na een gewonnen prijsvraag. Staal experimenteert met nieuwe materialen en het gebouw lijkt ondanks zijn leeftijd, in het moderne Rotterdam niet te misstaan.
Rond dezelfde tijd bouwt Staal nog een woningblok aan de Apollolaan/ Beethovenstraat/ Corellistraat (1938), dat zich kenmerkt door de donkere erkers met de ronde kozijnen en dat hij hier, in tegenstelling tot de rest van Amsterdam Zuid geen gesloten bouwblok heeft neergezet, maar een gebouw dat meer weg heeft van strokenbouw, met een lager gedeelte aan de zuidkant om de woningen van meer lichtinval te voorzien.

Staal is in 1927 met een beeldhouwwerk van zijn beeltenis op de hoek van de Minervalaan en de Gerrit van der Veenstraat vereeuwigd. Dit werk is onderdeel van het rijke beeldhouwprogramma op de vier gebouwen op deze kruising. De architect van deze gebouwen, G.J. Rutgers liet, op eigen kosten, door Toon Rädecker de voltallige schoonheidscommissie van Amsterdam Zuid uithakken temidden van verbeeldingen van de kunsten, ambachten, mythologische figuren en de seizoenen, waar ook Jaap Kaas aan meewerkte. In 1940 is Staal op 61-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van een maagoperatie.

Bronnen:
- Casciato, M. (1991). The Amsterdam School. Rotterdam, Uitgeverij 010.
- Stissi, V. (2007). Amsterdam, het mekka van de volkshuisvesting, Sociale woningbouw 1909-1942. Rotterdam, Uitgeverij 010.
- Burkom, F. Van, et al. (2009). Kunst aan de straat, Amsterdam, Uitgeverij Bas Lubberhuizen
- Geïllustreerd Weekblad van 26 oktober 1928, gevonden op: buitenbeeldinbeeld.nl

- Een artikel over de wolkenkrabber op zuidelijkewandelweg.nl
- Een artikel over het Telegraafgebouw op de site van het grachtenhuis


Lees meer...