7 jul. 2013

De Amsterdamse School aan de Vrijheidslaan (Amstels Bouwvereeniging)

Het Plan Zuid van architect en stedebouwkundige Berlage in Amsterdam Zuid wordt door velen geroemd. Het was een ambitieus plan dat hoewel het in 1917 was aangenomen, pas ver na de Tweede Wereldoorlog volledig volgebouwd was. Het wordt algemeen gezien als één van de meer interessante plannen die door de Nederlande bouwkunst zijn voortgebracht en wordt door zowel de bewoners, als architectuurliefhebbers zeer gewaardeerd. Een sterke eigenschap van het plan is dat Berlage slechts de hoofdontwerper was van het grote plan, en dat het ontwerpen van deelgebieden aan andere architecten of commissies werd overgelaten. Zo ontstonden verschillende buurten met ieder een geheel eigen karakter. De architecten van de Amsterdamse School gaven het plan van de soberdere Berlage allure en schoonheid. Één deel in de Rivierenbuurt, het gebied rondom de Vrijheidslaan (voorheen de Amstellaan en Stalinlaan), tussen de Rijnstraat en de Amsteldijk is wellicht één van de meest geroemde delen vanwege de spectaculaire architectuur van sterren als Michel de Klerk, Piet Kramer, Hendrik Wijdeveld, Nico Lansdorp en Margaret Staal-Kropholler. Interessant echter, is dat zowel Berlage als de Amsterdamse School architecten hier minder invloed hebben gehad dan men zou denken. Aan de totstandkoming van dit gebied liggen enkele historisch revolutionaire ontwikkelingen ten grondslag die het imago van de Amsterdamse School en de positie van architecten in het algemeen hevig zou aantasten.

Aanleiding
Amsterdam kende in de jaren na de woningwet van 1901 een sterke groei aan woningbouwverenigingen. Hoewel deze wet er voor had gezorgd dat er veel degelijke woningen voor arbeiders werd gebouwd en het leek of er een antwoord was gevonden op de enorme vraag aan degelijke woonruimte, bleek het in de praktijk niet voldoende te zijn.
Door de materialenschaarste, veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog, stagneerde de bouw van woningen in de tweede helft van de jaren ’10 en bleef deze achter bij de verwachtingen en de vraag. Waar de coöperatiebouw nog enigszins doorliep, aangezien de bouw gegarandeerd werd door de gemeente Amsterdam en zij gebruik konden maken van door de overheid vastgestelde voorschotten, waren het echter vooral de particuliere bouwondernemingen die moeite hadden om te overleven. Ook ondervonden deze ondernemers, die vooral efficiënt en goedkoop moesten bouwen, veelal problemen met de strenge eisen van de schoonheidscommissie. De budgetten waren vaak krap en de extra kosten die het maken van een nieuw ontwerp met zich meebrachten als het ontwerp werd afgekeurd, konden de ondernemers niet opbrengen. Omdat de bouwondernemingen zich gepasseerd voelden ten opzichte van de coöperaties, klaagden zij met succes bij de overheid. Om de bouw van volkswoningbouw te stimuleren werd de voorschotregeling nu versoepeld, zodat ook particuliere bouwondernemingen hier gebruik van konden maken.

Amstels Bouwvereeniging en de ‘Commissie van 4’
Met de aanpassingen in de woningwet in de hand sloegen de ondernemers aan het bouwen. Om een aantal van de problemen die werden ervaren de baas te zijn, werd een groots en voor die tijd revolutionair systeem bedacht. Al in 1920 verenigden een grote groep van 70 particuliere bouwondernemers zich in ‘Amstels Bouwvereeniging’ (ABV). Deze vereniging had plannen om rondom de nieuwe Amstellaan (nu Vrijheidslaan) circa 2000 middenklasse woningen te realiseren (het werden er uiteindelijk 1750). De grond zou de ABV van de gemeente Amsterdam in erfpacht krijgen, hetgeen betekende dat de schoonheidscommissie zich met de ontwerpen van de gevels mocht bemoeien. De ABV voorzag hiermee problemen, gezien de verwachtingen met onlangs gerealiseerde precedenten als het Schip en De Dageraad. Wanneer alle ondernemers tegelijk zouden zijn gaan bouwen, zou dit bovendien een grote last voor de schoonheidscommissie vormen, hetgeen tot flinke vertragingen had kunnen leiden. Daarom besloot de ABV begin 1921 om direct naar de directeur gebouwen van de dienst Publieke Werken Allard Remco Hulshoff te stappen en hem te vragen een commissie te vormen die de esthetische leiding over het project zou voeren.

Deze commissie van 4 zou verder bestaan uit Jan Gratama (vertrekkend voorzitter van het genootschap Architectura et Amicitia en lid van de BNA), Johan (Jan) de Meyer (de voorzitter van de Amsterdamse schoonheidscommissie) en Jan Frederik (Frits) Staal (lid van de schoonheidscommissie en van Architectura et Amicitia). De Commissie van 4 was zo uitgezocht dat zij represantanten waren van de belangrijkste instanties die op dat moment over esthetiek in de architectuur oordeelden of bepaalden.

Door het esthetische vraagstuk aan anderen over te laten, zouden de ondernemers van kritiek gevrijwaard blijven en ervan verzekerd zijn dat er op dit vlak geen bouwvertragingen zouden ontstaan. De commissie zou vervolgens de architecten uitzoeken welke (slechts) de gevels van het project zouden ontwerpen. De bouwondernemers kozen zelf voor enkele simpele en efficiënte standaardplattegronden. De esthetische opdracht werd op deze manier zo miniem mogelijk gehouden en de kosten laag. De rijkspremie was f25,- per m2 met een maximum van f2.500,- en daarom konden de woningen niet groter worden dan 100m2.

De ondernemer die deze ingenieuze constructie had bedacht en die de voorzittersrol op zich had genomen, was H. van der Schaar. Deze ondernemer zou later in Amsterdam met een soortgelijke constructie 6000 woningen laten bouwen in Plan West, rondom het Mercatorplein.

Het stratenpatroon dat Berlage oorspronkelijk voor dit deel van de stad had getekend voldeed niet. De Commissie van 4 liet daarom het plan aanpassen. Naast een nieuw stratenpatroon stelden zij nieuwe straatprofielen en bouwhoogtes van de verschillende blokken vast en bepaalden de plek voor pleinen, groen en plantsoenen. Er kwamen ook enkele winkels (bijvoorbeeld bij het Meerhuizenplein, de Borssenburgstraat, de Vrijheidslaan en aan de Rijnstraat). Verder voegde de commissie vier scholen in twee schoolgebouwen toe aan het gebied, welke werden ontworpen door Publieke Werken en een electriciteits wisselstation, ontworpen door A. Boeken. Zoals te zien op zijn tekening, was Berlage’s oorspronkelijke idee sober en rechtlijnig.

Ook was er in de Rijnstraat, tegenover de IJsselstraat op nummers 31 tot 35, een plek voor een ‘bijzonder gebouw’ gereserveerd. Hier ontwierp architect Westerman in 1927 een gebouw voor de coöperatieve verbruiksvereniging “Eigen Hulp”. In dit gebouw huist tegenwoordig een Albert Heijn. De architectuur van dit gebouw kan echter niet als ‘bijzonder’ worden aangemerkt.

Uitwerking
Niet lang voor de totstandkoming van dit project was er een discussie opgelaaid onder architecten over het gebrek aan eenheid tussen verschillende gebouwen en de resulterende rommelige straatbeelden. Gebouwen werden altijd ontworpen als zelfstandige (kunst)werkjes en verscheidene architecten hadden gepleit voor meer samenhang in het stadsbeeld. De stad moest een gesammtkunstwerk worden waar alle onderdelen een ideaal beeld moesten opleveren.

Door de grootte was dit een ideaal project om hiermee te experimenteren. Aangezien alle ondernemers verschillend in grootte waren, werd het project verdeeld in percelen welke onder de ondernemers werden verloot. De Commissie van 4 verdeelde hierna de architecten over het gehele project, waarbij zij aan de hand van eerdere verdiensten bepaalden welke architecten welk deel kregen toegewezen. Dit betekende dat sommige architecten met soms wel vier of vijf verschillende ondernemers werkten.
Blokken van Kropholler, Marnette en De Klerk

De architecten die werden gevraagd werden zorgvuldig uitgekozen. Het waren allemaal architecten van de Amsterdamse School. De bouwondernemers mochten aangeven met welken zij naar tevredenheid hadden gewerkt en daaruit koos de commissie 17 architecten. De architecten die meewerkten aan het project waren (op alfabetische volgorde):

- Anthony van Baalen
- Jan Boterenbrood
- Karel Jacobus (Dick) Greiner
- A. Kint/ Theo Kint (Op bovenstaande kaart staat A. Kint aangegeven, maar in de literatuur wordt verwezen naar Th. Kint, het berust hier waarschijnlijk op een fout)
- Michel de Klerk
- Pieter Lodewijk (Piet) Kramer
- Margaret Kropholler
- Cornelis Kruyswijk
- Guillaume Frédéric La Croix
- Nicolaas (Nico) Lansdorp
- Pieter Lucas Marnette
- Barend van den Nieuwen Amstel
- Gerrit Jan Rutgers
- Dirk Frederik Slothouwer
- Arend Jan Westerman
- Hendrik Theodorus Wijdeveld
- Jouke Zietsma

De honorering van de architecten geschiedde per perceel, waarbij een vergoeding van f100,- per perceel was gekozen. Elke architect kreeg minstens 200 meter toebedeeld, maar architecten die moeilijkere delen mochten ontwerpen kregen meer lengte en daarmee een hogere honorering.
De scheidingen tussen de architecten werd zoveel mogelijk enkele percelen ‘om de hoek’ geplaatst, zodat een mooie hoekoplossing mogelijk was. Ook werden de architecten zo over het project verdeeld dat zij vaker de beide zijden van een straat mochten ontwerpen, zoals bijvoorbeeld in de Rijnstraat en Uithoornstraat het geval is.

Ook nieuw was dat de architecten hun ontwerpen op elkaar moesten laten aansluiten, dit werd echter door slechts enkele architecten met finesse uitgevoerd. In de praktijk betekende dit dat er tussen de delen van de verschillende architecten een tussengedeelte kwam waar onderdelen van beide ontwerpen samen kwamen. Een mooi voorbeeld hiervan is het gedeelte tussen dat van Michel de Klerk en Zietsma (Vrijheidslaan 52 – 56, zie hieronder). Hier is een deel waar balkons en raampartijen van Michel de Klerk, maar de voordeuren en het baksteenpatroon van Zietsma zijn gebruikt. Ook het deel tussen Piet Kramer en Marnette heeft een dergelijke overgang gekregen.
Overgang aan de Vrijheidslaan tussen Zietsma (links) en De Klerk

Hoewel de architecten slechts de gevels mochten ontwerpen, waren zij niet vrij om alles zelf te bepalen. De commissie stelde vergaande eisen op over bijvoorbeeld hoogte en materiaalkeuze. Zo werden de architecten aan de Amstellaan bijvoorbeeld verplicht dezelfde geelkleurige steen te gebruiken, maar werden er ook eisen gesteld aan de kleur van de voegen, de dakbedekking en de kleur van het schilderwerk.

De standaard plattegronden waren ontworpen door onder anderen G. Klomp. Enige verscheidenheid in de woningen ontstond door hier een aantal varianten op te maken. Ook waren de ondernemers niet verplicht om zich aan de standaardplattegronden te houden, hetgeen uiteindelijk toch een ruime verscheidenheid aan plattegrond opleverde. De woningen hadden allemaal een dubbele kamer 'en suite', twee slaapkamers, een keuken, maar geen badkamer.
Standaardplattegronden

De Commissie van 4 werd verantwoordelijk gehouden bij eventueel ontstane geschillen tussen de architecten en de bouwondernemers. Om de samenwerking met alle verschillende architecten in goede banen te leiden werd er een tijdelijke keet op locatie opgericht. Hier was een bureau chef te werk gesteld die moest toezien dat de architecten hun werk op tijd en naar de eisen van de commissie uitvoerden. Ook was hier de gelegenheid voor de architecten onderling om de aansluiting van gevels te bespreken.

Problemen en kritiek
De uitvoering van de plannen kende ook enkele problemen. Veel van de bouwondernemers had nog nooit met architecten gewerkt. De invoering van de schoonheidscommissie en daarmee de verplichting om een esthetisch gepast ontwerp aan te leveren was vrij recent. Veel ondernemers waren nog gewend om tekenaars in te huren voor de minimale esthetiek en om zelf het laatste woord te houden over de uiteindelijke plannen. Dit leverde bij vele betrokkenen spanningen en daarmee vertragingen op.

Ook bleek de kwalitatieve uitvoering niet bij alle bouwondernemers gelijk. Bij een aantal woningen waren de bouwtechnische details dusdanig slecht uitgevoerd dat het gehele plan door bouwtechnisch aangelegde critici werd verafschuwd. De controle had in handen van de Commissie van 4 moeten liggen, maar omdat deze zich meer bezig hield met de esthetische leiding, was er minder aandacht voor de correcte uitvoering van de plannen.
Blokken van Kramer en Boterenbrood en een affiche voor een tentoonstelling over het plan

Ook de kritiek op het plan was niet mals. Nog voordat er een paal de grond in was geslagen, was er consternatie over de selectieprocedures van de architecten, waarbij de gemeentelijke diensten een voorkeursbehandeling konden opleggen voor een aantal architecten. Hulshoff, de voorzitter van de Commissie van 4 verdedigde zijn betrokkenheid bij het plan met het feit dat ondanks dat bouwondernemers nu nieuwe mogelijkheden hadden om te bouwen, de eenheid van het stadsbeeld toch gegarandeerd was doordat de stad zelf de ‘gecentraliseerde esthetische leiding’ in handen kon houden. Ook bewonderde hij de bereidheid van de bouwondernemers om de vormgeving uit handen te geven. In plaats van een kakofonie van verschillende blokken zou er nu een nieuw gedeelte van de stad als geheel ontworpen kunnen worden.

Toen het plan af was, zou de kritiek niet afnemen. Naast de te verwachten kritiek van traditionalisten en functionalisten op de vormgeving van de blokken was er ook kritiek op de plattegronden van de ondernemers. Dit zou normaal gesproken het werk van architecten moeten zijn maar het was nu door ‘beunhazen’ gedaan. Maar vooral werd er in de vakbladen schande gesproken van het feit dat architecten werden gereduceerd tot ontwerpers van gevels. Het werk van architecten ging maar 22 centimeter diep (de dikte van de gevels). Vooral de Commissie van 4 werd verweten dat zij een dergelijke gang van zaken hadden toegelaten en zelfs hadden ondersteund.

Piet Kramer verdedigde de manier van bouwen later door te stellen dat het beter was dat architecten slechts de gevel ontwierpen dan dat zij helemaal niet betrokken zouden zijn geweest bij de bouw, omdat op deze manier het stadsbeeld tenminste gewaarborgd bleef van esthetische ellende.
J.P. Mieras schreef in het tijdschrift Wendingen dat hij het deels eens was met de kritiek en het betreurde dat de plattegronden weinig kwaliteit kenden, maar dat dit de architecten niet was aan te rekenen. Sterker, de architecten hadden er ten minste voor gezorgd dat het aanzicht van de stad een zekere kwaliteit had meegekregen: “Wat is beter, slechte huizen met slechte gevels of slechte huizen met goede gevels?”

Echter, omdat de schoonheidscommissie druk bezig was met het opstellen van richtlijnen, gezag voeren en probeerde een eenheid te creëren in het plan, heeft zij haar oorspronkelijke functie als controlerende en keurende instantie niet kunnen uitvoeren. Er is een verstrengeling van functies onstaan welke door de bouwondernemers is gebruikt om de verantwoordelijkheid van zich af te kunnen schuiven.

Ondanks de verdediging bleek het project de kritiek niet te kunnen doorstaan. De functionele en rationele architecten van het recente Nieuwe Bouwen schreven de plannen de grond in. De term ‘schortjes architectuur’, waarmee later de hele Amsterdamse School beweging is weggeschreven als een stroming die alleen oog had voor het uiterlijk, zonder zich te bekommeren om functionaliteit of het welzijn van de bewoners, is ontstaan te midden van de stortvloed aan kritiek op dit plan. De Amsterdamse School was na 1923 duidelijk over haar hoogtepunt heen.

Meerhuizenplein (Arend Jan Westerman en Liesbeth van der Pol)

Het project anno nu
Hoewel het project in de pers en in architectenkringen werd verafschuwd, wordt dit deel van Amsterdam tegenwoordig beter gewaardeerd. Vooral de grootse opzet en de dichtheid aan toparchitecten uit de Amsterdamse School periode maakt het een prachtig gebied om te verblijven. Het plangebied heeft één van de hoogste concentraties van monumenten van Plan Zuid.

Ook zijn verschillende blokken die in de loop der tijd zijn aangetast door verbouwingen (plastic kozijnen), inmiddels teruggebracht naar de oorspronkelijke staat. De grootste delen van het plan zijn in de loop der tijd in de sociale woningbouw terecht gekomen en zijn in bezit van woningcorporatie Ymere. Zij hebben vooral de belangrijkste panden met zorg gerestaureerd. Toch zijn enkele delen van het gebied inmiddels verdwenen. Zo is er een groot deel aan het Meerhuizenplein gesloopt en opnieuw ingericht ‘in de geest van’ de Amsterdamse School door Liesbeth van der Pol van Dok Architecten. Hiervoor is de volledige bijdrage van architect Westerman tegen de vlakte gegaan. De poort richting de Meerhuizenstraat is hierbij wel in een moderne variant in ere gehouden. Ook de scholen zijn niet allen meer aanwezig. De scholen aan het Borssenburgplein zijn in 1987 vervangen voor nieuwbouwwoningen.

De nadelen die men vroeger met het plan associeerden zijn inmiddels niet meer van deze tijd. Ondanks (of misschien wel dankzij) het feit dat de architecten zich alleen met gevels bezig mochten houden, hebben zij zich hier wel met volle overtuiging aan overgegeven. Het plan barst van de prachtige details. Spectaculaire rondingen in de balkons, ramen in bijzondere vormen, en mooie details in baksteen, smeedijzerwerk en hout.
Hoewel er in het verleden veel te doen was om de juiste plattegronden, vinden we dat tegenwoordig minder belangrijk. Men houdt er juist wel van als er een inefficient hoekje of onpraktische kast in een woning zit. Het geeft de woning wat persoonlijkheid.

Rijke detaillering van Boterenbrood en Greiner aan de Rijnstraat en van Kropholler aan de Holendrechtstraat


View Larger Map

Bronnen:
- Bock, M ea, (1997), Michel de Klerk, Bouwmeester en tekenaar van de Amsterdamse School, NAi uitgevers
- Fraenkel, F. (1976), Het plan Amsterdam-Zuid van H.P.Berlage, Canaletto, Alphen a.d.Rijn
- Kohlenbach, B. (1994), Pieter Lodewijk Kramer, Architect van de Amsterdamse School, V+K Publishing

- Boterenbrood, J, (1923) Plan Zuid in: Tijdschrift voor de volkswoningbouw
- Hulshoff, AR, (1921) De aesthetische leiding van den woningbouw van ‘Amstel’s Bouwvereeniging’ in de uitbreiding ‘Zuid’ te Amsterdam, in: Bouwkundig Weekblad
- Kloes, JA van der, (1923) Rare bouwerij, in: Bouwstoffen
- Mieras, JP, (1922) Situatie Amstels Bouwvereeniging, in: Bouwkundig Weekblad
- Mieras, JP, (1923) Architectuur in uitbreiding ‘Zuid’ te Amsterdam, in: Wendingen
- Boeken, A, (1923) De architect en de eigenbouwer, in : Bouwkundig Weekblad
- Wils, J, (1923) ‘Rare bouwerij’, in: Het Vaderland, 9 juni 1923

Foto’s en afbeeldingen:
- Tekening oorspronkelijk plangebied: Uitsnede uit een tekening van Berlage
- Kaart plangebied. Onder andere verschenen in Bouwkundig Weekblad (1922)
- Historische foto's:
- J.H. Martelhoff. uit: Wendingen (1923)
- Beeldbank Archief van Amsterdam
- Woningplattegronden: Verschenen in Wendingen (1923) en Tijdschrift voor Volkshuisvesting (1923)
- Overige foto's: SPQA Amsterdam

Geen opmerkingen:

Een reactie posten